In deel 1 van deze serie zit Frank Bond vast in het jaar 2071. Daar wacht hij op eten in wat ooit een supermarkt was. Om de tijd te doden besluit hij een Groene Amsterdammer te lezen die op tafel ligt. Hierin leest hij een artikel dat terugblikt op het internet van vroeger. Tot zijn schrik ontdekt Frank dat de Groene Amsterdammer een oud interview bevat met niemand minder dan hemzelf. Deel 2 omvat dit interview waarin Frank uit 2040 grip probeert te krijgen op het fenomeen van de selfie. Aan het einde van deel 2 is er soep.

3 De Rubiks kubus en de dummy

Tussen het soepslurpen door wordt er gezellig van alles besproken. Een oude dame naast me tikt me zachtjes aan. IJzig blauwe ogen doordringen me vanachter een suf brilletje. Haar stem klinkt zacht doch zeker. ‘Je zou haast zeggen dat jij dat bent in dat stuk dat je net las’. Ze tikt met een lange slanke wijsvinger op het blad dat ik op tafel heb teruggelegd.
‘Die foto bij dat stuk. Haast één gezicht.’ Ik schrik, maar glimlach vriendelijk en wijs met een oogwenk naar boven. ‘Misschien komt dat door dit tl-licht.’

Even later zijn we diep in gesprek. Ze heet inderdaad Hannah en zij is ook niet van hier. Ze komt uit 1970, New York. Haar Engels heeft iets Duits. Ze had het stuk al gelezen. Als ik haar vraag of ze Nederlands spreekt, tikt ze op haar brilletje. ‘Hier op de kop getikt. De Google Glass. De soep mag dan waardeloos zijn, dit is best handig. Het vertaalt jouw Nederlandse tekst voor me in een oogopslag. ‘Over dat stuk in de Groene dus, en begrijp met niet verkeerd hoor Frank, maar je punt in het interview mist de beeldspraak die nodig is om zo’n onderwerp hapklaar te maken’.

Ik knik met enige weerwil instemmend. ‘Hoe zou jij het dan aanvliegen?’

‘Nou… Ik zou teruggrijpen op filosofische concepten die je punt ondersteunen. Zoals Plato’s allegorie van de grot. En Michel Foucaults blik op het panopticum.’ Ik knik opnieuw.
‘Dat had interessant kunnen zijn, maar dan zou je de lezer mee moeten nemen in een uitgebreider verhaal. Een complex verhaal’. Ik haal mijn schouders op. ‘Niets meer aan te doen.’

Ze grinnikt. ‘Mocht je er ooit in slagen terug te gaan naar je eigen tijd, kan je het tijdens het interview in de Groene Amsterdammer toevoegen. De selfie is namelijk net als dat verrekte internet een illusie. Maar het is ook net als dat internet een machtssysteem. Met de biechtvergelijking zit die schrijver die de introductie schreef voor jouw interview met zijn artikel in mijn optiek op het juiste spoor.’

Hannah is even stil. Haalt haar handen door haar en legt een lok achter haar oor. Ze kijkt me weer aan en praat verder. ‘De selfie is een geloofsbelijdenis van het nihilisme. Een valse biecht die zonde en vergiffenis omvat. De zonde is het gebrek aan eerlijkheid richting de zelf en de buitenwereld. De vergiffenis is het delen van de foto en dit blijven doen. Zo vergeeft de maker zichzelf en de anderen. Voor echte vergiffenis is integriteit vereist. En het opgelegde geloof van selfies maakt iedere ervaring tot een product. Vergiffenis kan dus pas tot stand komen door uit dit systeem te stappen.’

We worden even onderbroken omdat het toetje wordt geserveerd. Iedereen krijgt een stukje chocolade dat mij Duits of Amerikaans aandoet. Te veel suiker? Chemisch. Nederlandse chocolade is (of was) echt stukken lekkerder. Ik ben maar een bofkont met een levendige herinnering aan zo’n rijk chocoladeverleden.

‘Waar waren we gebleven Hannah? Bij machtsstructuren?’

Nein, nein. First zinks first Frenk. Blijf bij de les. Eerst Plato’s allegorie van de grot. Deze richt Plato op de filosoof of kritische denker. Iemand die door het ondervragen van de wereld om zich heen niet langer gevangen kan zitten in een verleden van onwetendheid. Toch… voor de selfie is dit interessant omdat iedereen bij het lezen van de allegorie ziet en snapt dat de schaduwen van de dieren niet de werkelijkheid zijn. Op dezelfde manier snappen we dat een foto niet de werkelijkheid is. Toch deed iedereen mee aan dat spel van misleiding door die leugenachtige selfies en online identiteit als waar te presenteren. Het werd stevig in stand gehouden.’

We kijken even voor ons uit in stilte. Hannah pakt de draad weer op: ‘vind jij niet, Frank, dat de selfie-nemer zich nog veel ernstiger ketent dan de gevangenen of geboeiden uit Plato’s allegorie?’

‘Ik zie waar je heen wilt, en kan je geen ongelijk geven Hannah. Het is zelfs nog veel erger. Waar de geboeiden zichzelf op zijn minst zagen ten opzichte van de wereld om zich heen, betrekt een selfie-nemer alles op zichzelf door middel van de foto die liegt over en tegen het zelf. En de maker bewust zelf liegt tegen zichzelf.’  

Hannah leek nu op zo’n hondje dat je wel eens bij mensen op het dashboard van de auto ziet. Haar hoofd knikte er bijna af.

‘Ja! Want zo ontstaat er uit een reflectie, de selfie, geen logische reflectie VAN het zelf, maar een reflectie OP het zelf. Even denken hoor.’ Ze sloot haar ogen.

‘Vind je het te complex als ik het volgende stel? De door de ander vanuit het ik geprojecteerde reflectie op het ik vanuit de blik van het ik op de blik van de ander geredeneerd vanuit het ik.’

Ik lig in een deuk. ‘Veel te complex. Simpeler zou zijn te zeggen dat een persoon zichzelf tot exclusief referentiekader maakt. En veronderstelt te moeten worden bekeken en gezien door de ander. Maar die ander bestaat dus niet. Die veronderstelt het zelf zélf. En het ik leert die ander dus niet echt kennen zoals ik zeg in het interview uit 2040. De ander is een zelfbedacht construct in het geval van de selfie.

Het helderste voorbeeld zijn de getekenden uit Plato’s grot. Laten we die hergebruiken. Als een getekende een selfie zou maken gaat deze volstrekt voorbij aan die omgeving of ervaring waar hij zich in bevindt. Als een ander echter die foto zou maken, zou er een objectiever en completer plaatje naar voren komen. Je zou de grot zien, de anderen, misschien zelfs het vuur of de dieren. Dat zou de geketende enorm helpen.’

Hannah glimlacht me toe. Haar tanden zijn bruin van de chocolade. Zouden die van mij dat ook zijn? ‘We zijn het eens, Frank. Maar eh… Ik zou een moord doen voor een sigaret. Jij?’ Ik schud nee.

Ze geeft een zucht. ‘Ach ja. Zo komen we uit bij het denken van Foucault. De ander is er slechts voor de sier. Niet om mee in dialoog te gaan. Maar deze ander is in het hoofd van de maker wel de observator die invloed uitoefent. Dit resulteert in een zelfopgelegd en zelfgestuurd panopticum. De selfiemaker sluit zichzelf op…’

De tl-lichten knipperen opeens aan en uit, aan en uit. Er klinkt een bel. Gevolgd door een stem door de intercom die ons onvriendelijk verzoekt plaats te maken voor de volgende eters. We staan gehoorzaam op en iedereen schuifelt naar buiten. De soep had mij best gesmaakt, de smaak van chemische chocolade ben ik niet kwijt helaas.

We besluiten samen te lopen naar het haventje wat verderop.

Het is guur buiten. De wind loeit door de zeilen en langs de masten van de verschillende boten. Als een groepje spoken. De Kale Man die me eerder zo aan zat te kijken sluit zich bij ons aan.
‘Interessant waar jullie het over hadden net zeg. Lusten jullie wat oploskoffie bij mij op de boot?’

‘Nooit eerder smaakte oploskoffie zo goed’, spreek ik even later eerlijk. Hannah en de Kale Man lachen. De Kale Man kucht even en deelt gelijk zijn verhaal.
‘Ik kom niet uit deze tijd. Ik kom uit het verleden.’
Hannah en ik kijken elkaar en barsten in lachen uit: ‘Wij ook’.

De Kale Man wil ook een duit in de zak doen. Hij buigt zich plechtig over zijn dampende mok koffie. ‘Hannah en Frank, dit is mijn blik op dat selfie-gedoe.

Er bestond geen echte ander meer in dat selfie-systeem van toen. Om in de sfeer van het panopticum te blijven: in zo’n systeem is het ik de gevangene én zijn eigen gevangenisbewaarder die observeert.’

Het licht Franse accent van de Kale Man vereist wat aandacht, maar is niet irritant. Ik luister aandachtig verder.

‘De ander bestaat in de vorm van andere selfie-panopticums waarbinnen hetzelfde op zichzelf gerichte proces plaatsvindt. Met een selfie wil het ik de blik van de ander bevestigen zonder dat deze de ander wil kennen of onderzoeken. De blik die het ik heeft op de blik die de ander heeft op het ik is onjuist. Vanzelfsprekend. Het ik kent de ander helemaal niet in de communicatie via selfie-monologen.’

De Kale Man neemt een slok van zijn koffie. Wrijft over zijn kale hoofd.

‘Een vergelijking zou een recensie kunnen zijn die iemand schrijft over zichzelf. Precies dat wat het idee van een recensie definieert, of dat wat de wisselwerking tussen de blik van het ik en de blik van de ander omvat, wordt buitenspel gezet.’

Hannah onderbreekt de Kale Man. ‘Is de beste vergelijking niet gewoon het internet zelf? Een plek die niet meer draait om interactie tussen mensen, maar een plek waar het individu zich voornamelijk begeeft om zichzelf bevestigd te zien?’

Of het nu door de soep komt, de chocolade of de oploskoffie, het deinen van het bootje of al dit complexe gelul, ik begin wat duizelig te worden.

‘Sorry hoor. Mag ik alles even op een rijtje proberen te zetten’, vraag ik.

1 iemand legt zichzelf een niet-kloppende bespiegeling op waardoor een dubbele leugen ontstaat. De eerste richting zichzelf. De tweede richting de buitenwereld.

2 Iemand blijft deze leugen uitputtend herhalen omdat het een opgelegde communicatienorm is, maar gezien selfies eenrichtingsverkeer zijn, vindt er geen dialoog plaats en geen zelfreflectie. Selfies hebben in tegenstelling tot hun schijnbare doel niet het gewenste effect. Namelijk, om de persoonlijkheid van het ik te communiceren, het ik te manifesteren of het ik constructief, bevredigend kenbaar te maken aan de buitenwereld. Dit wordt niet gerealiseerd. Niet naar binnen toe en niet naar buiten toe.

3 Selfies zijn daarom misvormde reflecties die ik “deflecties” zou noemen. Als lachspiegels die lachspiegels weergeven. De buitenwereld (in dit geval alles buiten het ik), wordt meer een verstoord zelfbedacht concept dan dat het echt bestaat.

Hannah en de Kale Man knikken.

De Kale Man staat op van tafel en loopt naar zijn jas. Hij komt terug en legt zijn Rubiks kubus op tafel. ‘Even wat anders om onze hersenen over te kraken. Deze komt uit mijn tijd. Maar deze…’ Hij loopt naar een kastje en haalt een laatje open. Naast de Rubiks kubus legt hij een futuristisch ogende kubus met allerlei uitstulpingen. ‘Deze is van hier. 2071. Overal te koop in de winkels die er nog zijn.’

‘Ik ben niet zo goed in puzzels’ zeg ik. ‘Ik wel’ zegt Hannah meteen opschepperig. De Kale Man houdt ze naast elkaar omhoog voor ons. ‘Wat valt jullie op?’

Hannah en ik kijken aandachtig. Hannah pakt de 2071 kubus in haar handen. Ze drukt met haar oude knokige vingers op wat knopjes en draait er wat aan. Ik hou me koest. Ik wil natuurlijk niet dom overkomen. Ik vond als kind – en nog steeds – de kleurtjes van de Rubiks kubus mooi, maar oplossen, ho maar.

‘Interessant, interessant. Hier is niets aan op te lossen. Het is een dummy.’

‘Exact, Hannah… Dus wat betekent dat?’

De Kale Man heeft een blik op zijn gezicht die ik alleen kan omschrijven als sardonisch. ‘Dit object is een dummy, omdat de toekomst niet kan worden voorspeld. Niet door een mens, niet door een AI. Het bevindt zich hier als puzzel, maar de maker heeft geen moeite gedaan het concept van de puzzel uit te werken. Wat ik wil zeggen Hannah en Frank… we zitten in een fictie. Wíj́ zijn een fictie. Dat is de enige verklaring voor onze tijdreis, onze aanwezigheid hier in 2071. Bedenk het maar. We lullen over selfies terwijl we bezig zouden moeten zijn met vragen die relevant zijn in deze toekomt, in deze tijd!’

Ik schud met mijn hoofd. Ik probeer voor mezelf op een rijtje te zetten hoe ik hier ben gekomen. Maar hoe meer ik probeer te ontdekken hoe ik hier nou eigenlijk ben gekomen hoe vager alles wordt.

De Kale Man ratelt door. ‘Frank, jij zou me moeten herkennen en dat doe je niet! Ik heet slechts “de Kale Man”. Ik ben al lang dood door aids. En jij Hannah Arendt, jij door een beroerte. We worden hier ingezet en gebruikt als een constructie. Ik stel daarom voor om te ontsnappen aan de schrijver, aan de macht waarin wij worden gehouden.’

Mijn handen zijn klam. ‘Wat zeg je nu, wat is dit?! Hoe zie je dit allemaal eigenlijk voor je? En wie schrijft ons dan?’ Ik sta op, maar sta te trillen op mijn benen. De Kale Man staat nu ook op. Dreigend. Hij heeft een revolver in zijn handen.

‘Nee!’ roep ik, maar zonder pardon richt hij de revolver op Hannah en schiet haar door het hoofd. Ze wordt met stoel en al achterovergeslagen. Ik schreeuw. Ik zet een snelle stap naar achteren en werp de stoel waarop ik zat over de tafel heen tegen de Kale Man aan. Hij vloekt in het Frans en struikelt naar achteren waarna hij op de grond valt. Het gaat zo snel dat ik niet kan zien of hij de revolver nog in zijn hand heeft of niet. Ik laat mijn jas en spullen voor wat ze zijn en ren de kajuit uit, het dek op. Een tweede oorverdovende knal klinkt achter me en houtspaanders springen naast me op. Mis. Ik kijk niet achterom en spring van boord. Ik ben dan misschien niets dan een fictieve constructie, ik wil blijven leven.

LUKT HET FRANK OM IN LEVEN TE BLIJVEN? HOE LOOPT DEZE TIJDREIS AF?
JE LEEST HET VOLGENDE WEEK IN DEEL 4!

Het Artwork voor 2071: A Selfie Odyssey wordt mede mogelijk gemaakt door Frank Bonds AI Bot B613

1 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Even voorstellen… Emma Steur

Tijd om de redactie van enClave aan jullie voor te stellen! Dit keer: Emma Steur over haar voorliefde voor games en Engelse literatuur, en waarom iedereen Sylvia Plath zou moeten lezen.
Lees verhaal

Voorwoord

(Uit het nieuwe magazine en-Clave, nu te koop bij Jan Cas Sombroek, Primera Volendam en Boekwinkel ‘t Pakhuys…