Noordeinde, George Sherwood Hunter, 1892, olieverf op doek, 30 x 46cm (Collectie Vereniging Vrienden van het Zuiderzeemuseum

Intermezzo
Als kunstcriticus vond dichter Charles Baudelaire (1821-1867) dat een recensie tevens een kunstwerk diende te zijn. In zijn voetspoor naderden de verschillende kunsten elkaar eind negentiende eeuw. Als dichter formuleert hij, in zijn opdracht aan Arsène Houssaye, de door hem voor poëtisch proza gestelde eisen, ‘dat muzikaal is, maar zonder maat en zonder rijm, en voldoende soepel en voldoende abrupt om zich te voegen naar de lyrische roerselen van de ziel, naar de golfbewegingen van de bespiegeling, naar de schokken van het bewustzijn.’ Het leidde tot de postuum gepubliceerde dichtbundel Le Spleen de Paris (1869) (De Melancholie van Parijs).

Baudelaires omschrijving van poëtisch proza en zijn Salons (kunstkritieken) vormden inspiratiebronnen bij het schrijven van onderhavig essay, dat zoals ik aan het eind van de inleiding al opmerkte, bestaat uit herinneringen, overpeinzingen, meningen, soms zelfs overtuigingen, vaak associatief en los geformuleerd, soms wat strakker, en dat alles bij nog vijf schilderijen over het negentiende eeuwse Volendam, die samen met de vier eerdere schilderijen een soort levenscyclus voorstellen. ‘Zo zou ik hebben moeten schrijven’ merkte Prousts alter ego Bergotte op toen hij voor Vermeers Gezicht op Delft (1660-1661) stond. Een loffelijk streven.

In de inleiding vermeldde ik echter niet zonder reden dat Baudelaire ook opmerkte dat hij schilderijen soms slechts beoordeelde naar gelang ze in staat waren hem tot mijmeren aan te zetten. Tussen rondleiden en mijmeren bestaat een zekere spanning. Net als Walter Benjamin, een andere inspiratiebron, beschouw ik een dergelijke spanning in eerste instantie als potentieel vruchtbaar. Bovendien beschouwde Benjamin afdwalen als een methode. En dan neig ik, geworteld in de wens in dit artikel per se geen voetnoten te willen gebruiken, ook nog eens naar het vermelden van (te) veel (achtergrond)informatie.

Mijn denkbeeldige museum
Bovenstaande foto werd circa anderhalf jaar geleden geschoten door moeder de vrouw, die Hunters Noordeinde niet kende. George Sherwood Hunter (1846-1919)) was een in Aberdeen geboren Schot. De gelijkenis die mij hier frappeert, zou Baudelaire de correspondentie (analogie) hebben genoemd. Want deze kinderen lopen richting dijkwoningen en die van ons stonden na vijf minuten wandelen over deze dijk ook tussen negentiende-eeuwse (Urker) dijkwoninkjes. Dichter bij het negentiende eeuwse Volendam kom je niet. Hunter roept met Noordeinde bij mij het gevoel van onbezorgd kindergeluk op. Ik veroorloof mezelf een noodzakelijk zijpaadje. De eerste helft van dit jaar zat onze zoon Jan in groep 1 van de J.F. Kennedyschool. Tijdens de dagelijkse nuttiging van enige delen fruit naar keuze, draaide juf Wendy geregeld het door Eva Cassidy (1963-1996) onovertroffen gezongen Sting-nummer Fields Of Gold (Live At Blues Alley (1996)). Dit merkte ik toen ik tijdens het draaien thuis die verrukking in Jentjes ogen zag. ‘Hoe weet hij dit?’, zag ik hem denken. Ik wist niks, want over school vertelt hij mij nooit wat. Maar nu kon ik hem de werking uitleggen van de muziekinstallatie die zowel stemmingsregelaar, troostmachine als toverlantaarn kan zijn. Alvorens andere bezigheden te hervatten, draaide hij het zeker tien keer achter elkaar.

Ik juichte inwendig: muziek raakt hem! Wat kan ik hier een wereld ontsluiten. En spiegelen zowel schrijvers als schilders zich ook niet graag aan de kunst die de meest directe emotie oproept?
Teneinde het belang van zijn tonale kleurharmonie te benadrukken noemde James Abbott McNeil Whistler (zie ook schilderij IV) zijn composities vaak ‘arrangements’, ‘harmonies’, of ‘nocturnes’. Volgens mij mikte Sting (en Cassidy) op dezelfde emotie als Hunter. Want komt deze meeslepend verklankte weemoed niet dichtbij het gevoel dat je als volwassene zou kunnen overvallen als je jezelf zo als kind afgebeeld ziet, en plotsklaps in dat moment wordt terug gekatapulteerd? ‘Many years have passed since those summer days among the fields of barley / See the children run as the sun goes down among the fields of gold.’ Fields of Gold zou het liedje kunnen zijn dat deze jongen tegen dit meisje zingt als hij deze gezamen-lijke wandeling na dertig jaar weer in haar herinnering wil brengen.

Hunters compositie is zowel simpel als weloverwogen. De bepalende verhoudingen – de hoogte van de horizon en de vanaf de zijkanten gemeten afstand tussen de kinderen – zijn gebaseerd op de gulden snede: een lengte verdeeld in twee ongelijke stukken in de verhouding 1,618. De St. Vincentiuskerk lijkt hier toch minimaal deels het doel. ‘De kerk, niet de haven is het centrum van Volendam’, aldus prof. dr. Klaas Steur op 14 juli 1949 in Hotel Van Diepen te Volendam. Velen van ons die vanuit Amsterdam komen, zien nu eerst de lichtmasten van FC Volendam. Afgaande op de kleur van het gras in de berm en de stand van de zon lopen deze kinderen ergens in augustus ’s morgens huiswaarts. Bij de bespreking van Willem Tholens Haven vanuit Hotel Van Diepen (schilderij IV) citeerde ik Marcel Proust: ‘de ware paradijzen zijn de paradijzen die je verloren hebt’. Kún je heimwee hebben naar iets wat je nooit hebt gekend? Staat dit tafereel symbool voor mijn eigen jeugd? Als ik over zo’n knerpend schelpenpad loop denk ik altijd aan die kiezelstenen achter de AMVO, en met wat mazzel levert dat soms wat kermisflitsen uit mijn kleutertijd op, toen de vloer in de St. Vincentiuskerk nog kraakte en, naast Onze-Lieve-Heer natuurlijk, iedereen je daar hoorde binnenkomen. Volendam telt plekken – soms enkel nog coördinaten, zoals bijvoorbeeld het ooit aan de Grave-landstraat gelegen handbalveld dat bij mij nog altijd herinneringen aan het spel ‘trap de bal’ oproept – zonder welke ik mijzelf incompleet zou voelen.

Enjoying Life, Volendam, Zuider Zee by Hunter, George Sherwood (1846-1919)

Naast zwart en wit gebruikte Hunter slechts gele oker (licht), Engels rood, groene aarde en ultramarijn blauw. Deze kleuren komen terug in vrijwel elk element – zee, lucht, sloot, pad, gras en riet – , hetgeen het harmonische, tonale karakter van het werk verklaart. Aan de andere kant van het Noordeinde gesitueerd is Hunters Enjoying Life: jongen in klederdracht met sigaar (zie afbeelding). Als twaalfjarige mocht je op de botter desgewenst ook roken. Dat wekt tegenwoordig verbazing. Maar wij mochten als zestienjarigen toch ook onze opwachting maken in dat zedeloze, soms haast verwilderde Blokhutje alwaar Give it away van The Red Hot Chili Peppers door jonge, nog slechts enkele weken maagdelijke deernen van vijftien luidkeels werd medegezongen?

Keuzestress zullen deze kinderen zeker niet hebben gehad. Jan Stroeks vader (1916-1998) werd, op zijn elfde, ergens in 1927, door zijn vader (zie ook schilderij IV), die plots een knecht nodig had, tijdens het speelkwartier van het schoolplein van de destijds aan de Edammerweg gelegen St. Jozefschool geplukt met de onsterfelijke woorden: ‘Nou bi-je ge-laerd zat’. De adolescent die in het Westen ook in het fin de siècle ten tonele verscheen, zou in Volendam nog circa veertig jaar op zich laten wachten. Wat zal dat onbezorgd roken trouwens een genot zijn geweest. In vergelijking daarmee wordt seks behoorlijk overschat, verzuchten mijn vrouw en ik nog weleens tijdens zo’n incidentele, gezamenlijke post coïtale sigaret. Daarbij moet u weten dat Sandra’s vader Jan Keizer (Waai) zaliger een fotogeniek en beroemd roker was. Probeer zo’n sigaar maar eens op deze wijze tussen boven- en onderlip te houden. Volgens Sandra werd tijdens haar jeugd de resterende duur van de jaarlijkse autoreis naar de Spaanse Costa Brava niet in kilometers aangegeven maar in nog te roken sigaren van een behoorlijk merk. Een onbezorgde tijd.

Omdat je deze kinderen van achteren ziet, een vrij ongebruikelijk gezichtspunt, vraag je jezelf als kijker toch af of er achter hen ook ouders lopen. Hunter wekt het gevoel op dat deze kinderen van jou zouden kunnen zijn. ‘Ja, voor me uit’, zei mijn moeder altijd. Dan heb je overzicht. Omdat hier destijds nauwelijks verkeer reed, kon deze kinderen weinig gebeuren. De haven was veel gevaarlijker, vooral tijdens springtij. Voor de vroegere pesthuisjes, in een daarvan woonde mijn opa als kind een tijdje, verdronk zijn oudere broer Jacob Molenaar (1912-1914) in de haven. Er werd binnen het gezin nooit meer over gesproken (ik noemde Hunters Begrafenis van een visserskind al in de inleiding). Als kind leerde ik van mijn ouders dat in de sloot de ‘Bulleman’ loerde.

Toch verdronk ook ik bijna. Ik dank mijn leven en u dit verhaal aan Jan Steur (Glad) (1938-2010) die aan de Schoklandstraat 42 (het hoekhuis) woonde. Stel ik wandel op een zonovergoten zondagmiddag met Hille Kwakman (zie schilderij II) achter de kinderen op dit schilderij; zou ik hen op een andere manier hebben grootgebracht dan de mijne? Wim Sonneveld in de door Simon Carmiggelt geschreven conference De Jongens: ‘Ik vertelde mijn ouders nooit iets maar ik deed wat ze zeiden, zo’n modern kind vertelt je alles maar doet nooit wat je zegt! En wat mij betreft nog altijd dé opvoedingstip: ‘Rekken en erbij blijven’. Want is een opvoeder geen stakker die in het duister tast.

Natuurlijk zal onze Tess meer ontplooiingsmogelijkheden krijgen dan dit meisje. De prijs van de arbeid van veertienjarige meiden die ‘ingingen bij een mevrouw’ zegt echter niets over de waarde ervan. Tijdens mijn economiestudie moest ik een paper schrijven voor keuzevak Externe Organisatie. Toen ik mezelf in het vroegere Maupoleum aan de Jodenbreestraat meldde bij hoogleraar Meltzer draaide deze zich met een brede glimlach om terwijl hij ondertussen reageerde op mijn Volendamse tongval: ‘Dat klinkt mij als muziek in de oren.’ Hij vertelde dat (1942-2000) hij als kind schuilde onder de rokken van de jonge Volendamse die in zijn Amstelveense ouderlijk huis jarenlang het huishouden bestierde. Hoe universeel de bestendigheid van een dergelijke relatie kan zijn, toont regisseur Ann Hui in haar A Simple Life (2011).

Omdat ik als Volendammer overal in Nederland goodwill ontmoet, voel ik me verantwoordelijk voor de instandhouding daarvan. Net als mijn vader zaliger (zie foto 25), die op het Noordeinde opgroeide, zal ik mijn volkse achtergrond nooit verloochenen. Iets in Feyenoorder Jan Boskamp doet mij altijd aan mijn vader denken. Ouwe-jongens-krentenbrood zouden Van Kooten en de Bie zeggen. Het verschil is dat mijn vader door Gerrie Mühren een Ajax-fan was, en iets tegen van Van Hanegem leek te hebben. Kon hij het niet verkroppen dat Van Hanegem in 1974 op de plek van Gerrie Mühren stond? Gerrit noemde mijn vader hem steevast. Van hetgeen chauvinistisch is aan mij, komt het meeste van mijn vader. Als er iets is waarmee de hier geschilderde kinderen ten opzichte van de mijne in het voordeel zijn, kan ik dat als ouder dan compenseren? Deze stilte en bewegingsvrijheid kan ik ze immers onmogelijk bieden. Inzake de opvoeding van onze kinderen verschillen Sandra en ik gelukkig nog weleens van mening. Ik vind dat Jan zijn jongere zusje Tess in de gaten moet houden, en Sandra – de hedendaagse pedagogie staat aan haar kant – wil hem niet met die verantwoordelijkheid opzadelen. Volgens mij hét verschil in opvoeding tussen individualistische versus collectivistische culturen. Hille Kwakman zou het misschien wel met mij eens zijn geweest: ‘It takes a village to raise a child’ luidt het bekende Afrikaanse gezegde. Nemen wij nog de verantwoordelijkheid voor elkaars kinderen? Wordt dat ons nog toegestaan binnen die hooggekapitaliseerde samenleving waarin wij trachten te overleven en waarvan ons wordt wijs gemaakt dat het de enige mogelijke is?

______________________________________________________________________________________________________

Dit deel is eerder gepubliceerd in Cultureel Magazine 2Rewind 2016

0 Shares:
You May Also Like