In ‘Arnold Mühren: een ster op het shirt van een bijzondere voetbalcultuur’ (enClave, jaargang 1 | Voorjaar 2021) wijdde ik een aparte paragraaf aan de essentie en het ontstaan van totaalvoetbal. Aan het begin van de jaren zeventig ontketende het gouden, langharige Ajax aan de hand van Cruijff een (deels esthetische) revolutie in de meest beoefende sport ter wereld. Cruijff: “Ik hield vast aan een concept, hoewel ik de uitkomst ervan ook niet kende.” Een lerende organisatie avant la lettre. Ook het Volendamse voetbal zou er zonder Cruijff anders hebben uitgezien. Vandaar deze post.

Madrid-juggle
Op 25 april 1973, tijdens de tweede halve finale (de ‘second leg’) Real Madrid – Ajax (0-1), verving Arnold Mühren de geblesseerde linksbuiten Piet Keizer (zie figuur 5). In de toch wat moeizaam met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd was hij in de rust ook al voor hem ingevallen. Volgens Arnold vond Gerrit het wel lekker voetballen met hem zo voor zich, omdat hij (in tegenstelling tot Piet Keizer) wel meeverdedigde. Volgens Van Den Nieuwenhof bracht Arnold meer balans op het middenveld. In de 50e minuut scoorde Gerrie de 0-1. Nog geen tien minuten later besloot hij op een symbolische manier duidelijk te maken dat het maagdelijk witte, Koninklijke Madrid, door dit voor de gelegenheid geheel in het rood gestoken, revolutionaire Ajax, in zijn eigen paleis als koning voetbal zou worden onttroond. Hoe intuïtief was deze actie?

Ruim op de helft van de tegenstander, vanaf iets hoger dan middelhoogte, plukte Gerrie met de linkervoet een crossbal van Suurbier uit de Madrileense avondlucht, hield hem vervolgens met rechts, links, rechts hoog, had de bal even later klem in de kom van de linkervoet, totdat hij hem – zonder om of opzij te kijken – nonchalant schuin links naar voren wipte. Op dat moment kwam de opkomende linksback Ruud Krol uit zijn rug langszij. Gerrie zag niet dat Krol kwam: Gerrie wist dat Krol kwam. En dat leek hij hier ook expliciet duidelijk te willen maken. Toen de bal bij Krol aankwam had deze het gras nog niet geraakt.

Nog in de negentiende eeuw kreeg je als iemand met je wilde duelleren met een slappe handschoen en publique een tik in het gezicht. Gerrie personifieerde hier de Amsterdamse branie en bravoure die Ajax onder de fijnproevers zo geliefd maakt. Vanwege de sterk symbolische lading blijven het krachtige beelden.

Maar had dit Real Madrid aangevuurd door een mogelijk pijnlijk in haar ziel getroffen publiek in voetbalwalhalla Estadio Bernabeu (120.000 (!) zielen) niet nog twee keer kunnen scoren? om er zo een verlenging uit te slepen? Ontleende hij (onbewust) vertrouwen aan het feit dat zijn broer voor hem stond? Jammer genoeg werd deze wedstrijd in maart 2020 (ZIGGO) niet opnieuw uitgezonden. De Madrilenen namen het uiteindelijk sportief op. Gerries ‘juggling a ball’ werd door het Britse voetbalblad FourFourTwo verkozen tot het op twee na meest memorabele voetbalmoment van de twintigste eeuw. De wisseling van de wacht. ‘Thank God for that’, zullen die Britten hebben gedacht. Aan het einde van dit Europa Cup I seizoen was Ajax na Real Madrid de eerste club in de voetbalhistorie die na drie keer winst de beker mocht houden. Keith Richards vergeleek het gevoel dat hij kreeg aan het begin van een Rolling Stones-concert (Start me Up met vuurspuwende toortsen) ooit met het opstijgen in een Learjet. Zou het vergelijkbaar zijn met het gevoel in het Ajax van de gouden jaren zeventig (in full swing) te spelen?

Functioneel oponthoud?
Wat dus nog weleens wordt vergeten, is dat Gerries oponthoud’ tenslotte ook functioneel was. Als linkshalf wachtte hij op de opkomende linksback Ruud Krol. Gerrie nam vervolgens diens verdedigende positie over terwijl broer Arnold als linksbuiten naar binnen ging. De gewenste aanvalsformatie was nog niet compleet. Gerries actie illustreert dat binnen totaalvoetbal’ elke speler ook een aanvallende rol had. Zolang de defensieve taken door de anderen maar werden overgenomen. Backs en halfs mochten richting de achterlijn, als de bal maar voorkwam.

Michels gaf de pers de eer voor het bedenken van de term, en vond ook dat die de lading aardig dekte. Frans van den Nieuwenhof erkent dat Michels de term in 1965 al eens had gebruikt, maar stelt dat het werkelijke totaalvoetbal eigenlijk pas ontstond onder Kovács (zie hierna). De messcherpe voorzet van linksback Krol waaruit Cruijff in die spijkerharde wedstrijd tegen Brazilië tijdens de WK-eindronde in 1974 die schitterende 2-0 scoorde, vormt een schoolvoorbeeld van totaalvoetbal. Daarom had Michels als rechtsback ook Wim Suurbier (1945-2020) gekozen, omdat die in de jeugd altijd rechtsbuiten had gestaan. Hij liep de honderd meter in ruim tien seconden. Een sterke verdediger die ook de wat hardere ingrepen bepaald niet schuwde. Ajaxs riskante speelstijl met veel ruimte in de rug maakte dat ook wel noodzakelijk. Daarom was de buitenspelval een wapen dat Ajax haast tot in de perfectie beheerste.

Een typische aanval begon vaak bij de inschuivende centrale verdediger, de 4 (ook de officiële positie en het rugnummer van Wim Jonk, die volgens sommigen eigenlijk een echte 10 was). Ajax schakelde dan naar 3-4-3 om een één-man-meer-situatie op het middenveld te creëren. Centrale verdediger Hulshoff: “Het ging allemaal over het maken en benutten van ruimte. Het is een soort architectuur op het veld. Het gaat over beweging, maar nog altijd over ruimte, over het organiseren van ruimte.”

Arnold Mühren: “Als de tegenstander met twee spitsen ging spelen, paste wij dat aan door met drie i.p.v. vier verdedigers te spelen. De twee meest verdedigende spelers gingen in de dekking bij de twee spitsen. Eén vrije man daarachter voor de rugdekking en één speler voor de twee verdedigers (dus op het middenveld) die op de 10 van de tegenpartij ging spelen. Als onze keeper de bal had, was het de bedoeling dat we achterin drie tegen twee gingen spelen (drie verdedigers tegen twee aanvallers). Het uitspelen van de twee spitsen was dan niet zo’n groot probleem (een speler kwam altijd vrij, omdat we achterin een man over hadden). Als dat gebeurde ging één van dat drietal (als de twee spitsen uitgespeeld waren) door naar het middenveld waar de andere middenvelders ruimte moesten maken voor de doorkomende verdediger zodat we daar vijf tegen vier speelden. Eén man meer op het middenveld dus. De middenvelder die voor de twee verdedigers (op de 10 van de tegenpartij) zakte dan in naar de ruimte die de doorkomende verdediger had achtergelaten zodat je daar weer drie tegen twee speelde, waardoor je bij balverlies toch een man overhad achterin.”

Een gedisciplineerde, onverslaanbare aanvalmachine
Aan het begin van de jaren zeventig ontketende dit gouden, langharige, bebakkebaarde en ongeschoren Ajax, tot het seizoen 1970-1971 onder leiding van de daarna naar FC Barcelona vertrekkende Rinus Michels, een (deels esthetische) revolutie in de meest beoefende sport ter wereld. Cruijff: “Dat is dankzij Michels de grote ontwikkeling geweest, dat je zegt, vaste plaatsen, vaste taakstellingen en vaste discipline in de taakstelling.” In 1970 was het door trainer Rinus Michels geïntroduceerde systeem met opkomende aanvallende verdedigers en meeverdedigende aanvallers nog een unicum. Cruijff: “ik speel graag aanvallend voetbal. Dat kun je alleen realiseren met vier verdedigers, drie middenvelders, met de punt naar achteren. Dat is noodzakelijk voor de variatie. Je hebt dan namelijk de meeste mogelijkheden tot circulatievoetbal.” Zo was Neeskens als 6 (de punt naar achteren) een ‘box-to-box’ spelende, verdedigende middenvelder die indien aanvallende middenvelders Gerrie Mühren en Haan naar de flanken uitweken, soms ook dominant aanvallend kon opkomen: van een de bal veroverende 6 (de directe tegenstander van de aanvallende 10) schakelde hij als het ware direct door naar een aanvallende, het spel verdelende 10. Een desnoods bebloed veldheer (zie bijvoorbeeld de WK-finale 1978 in Buenos Aires). Een jeugdheld. Tijdens Feyenoord- Ajax (1-5), 15 april 1972, overklaste dit middenveld dat van Van Hanegem-Jansen-Hasil op een indrukwekkende manier. Op de eindronde van het WK van 1974 bestond het middenveld echter uit Van Hanegem-Jansen-Neeskens.

Genesis van het gouden Ajax middenveld
Het middenveld van het klassieke Ajax ontstond tijdens de rust van de eerste gewonnen Europa Cup I finale (onder Michels) in 1971 tegen Panathinaikos (2-0) (1-0). Tijdens de rust gooide Michels het hele team om. Dat moet kunnen, en dat moet je durven. Centrale middenvelder Rijnders (1947-1976) werd gewisseld, de invallende Blankenburg nam de rol van rechtsback over van Neeskens (rechtsback Suurbier stond linksback omdat Krol geblesseerd was) die de verdedigende, centrale middenvelder werd. Rechtshalf Haan kwam erin, en de zwaar teleurgestelde rechtsbuiten Swart verliet het veld. De voor rust rechtshalf spelende Cruijff werd rechtsbuiten. Gerrie Mühren bleef staan waar hij stond. Zo ontstond het klassieke Ajax- middenveld uit de jaren zeventig: G. Mühren – Neeskens – Haan.

Rechtshalf Nico Rijnders en ex-FC Twente ’65 spits Dick van Dijk (die in de vijfde minuut de 1-0 scoorde) verdwenen uiteindelijk uit de basisopstelling. Cruijff werd spits. Met uitzondering van Rep voor rechtsbuiten Swart en Blankenburg voor vrije, centrale verdediger Vasovic zou deze basisopstelling van Rinus Michels de komende twee jaar (onder coach Kovács) grotendeels ongewijzigd blijven. De Europa Cup I finale van 1972 (onder Kovács) was de meesterproef van het totaalvoetbal met het wereldwijde televisiepubliek als verblufte winnaar. Door de teamdiscipline die Michels erin gebracht had, kon Kovács zijn spelers vrijer laten. Met uiteindelijk super aanvallend, spectaculair en vaak oogstrelend voetbal tot gevolg. Door het vaak wisselen van posities verrasten ze zowel tegenstander als toeschouwer. Een aanvalsmachine onder de bezielende leiding van aanvoerder Cruijff.

Rechtsbuiten Sjaak Swart: “Het belangrijkste was dat wij pressie konden spelen. Wij konden een tegenstander helemaal vastzetten. Dat kun je nooit de volle negentig minuten, maar wij konden het wel een uur lang, en dan was het meestal gebeurd met de tegenstander. Dat heeft geen enkele ploeg ons nagedaan.” Linksback Ruud Krol: “Ons standpunt was dat we niet ons eigen doel verdedigden, maar de middenlijn.” Het gehele team was ‘vom Kopf bis Füß’ aanvallend ingesteld. Jaren zeventig rock & elan vertaalt naar een voetbalveld.

Een lerende organisatie avant la lettre
Bedrijfskundige Pieter Winsemius schreef met medewerking van Cruijff een inspirerend boek over leiderschap. Hoewel hij zich nergens aan een exacte, uitputtende totaaldefinitie van totaalvoetbal waagt, valt de oorsprong ervan wel uit zijn betoog te destilleren: constructieve ontevredenheid en teamcreativiteit. Beter willen en beter kunnen. Een lerende organisatie die bovendien in zekere zin bestond uit zelfstandige ondernemers. Netwerk- of hockeystick-management noemt Winsemius dat. Onder Kovács kreeg Cruijff meer invloed op het spel. Laatstgenoemde: “Ik hield vast aan een concept, hoewel ik de uitkomst ervan ook niet kende.” Dit getuigt op zijn minst van een sterke intuïtie en veel moed. Op de vraag wat het precieze aandeel van Michels en dat van Cruijff is geweest, iets waar beiden het ook niet over eens lijken te zijn geweest, ga ik, indien u het niet erg vindt, hier verder niet in.

Arnold Mühren, die nog altijd veel voetbal kijkt: “Gedurende de eerste helft van de Nations League wedstrijd tegen Italië (0-1) (d.d. 7-9-2020) had hun linksback geen directe tegenstander, iets dat pas in de rust werd opgelost. Het Ajax van de jaren zeventig zou de tactiek (qua veldopstelling) tijdens de eerste helft direct zonder noemenswaardig expliciet overleg hebben aangepast.” Dit vormt een voorbeeld van teamcreativiteit. Een groot deel van dat één-keer-raken-positie- & samenspel is gebaseerd op intuïtieve interpretatie ingeslepen door eindeloos trainen. Winsemius heeft het later zelfs over teamintuïtie.

Op 6 september 1972 tijdens Independiente – Ajax (1-1), de eerste (uit)wedstrijd (first leg) om de Wereldbeker voor clubteams, verving Arnold Mühren in de 30e minuut die dan eindelijk uit de wedstrijd getrapte Johan Cruijff (zie figuur 6). Door een doelpunt van laatstgenoemde in de 5e minuut stond het (0-1). Arnold Mühren: “Toen ik inviel voor Johan Cruijff ging Piet wat meer in een vrije rol spelen, en ikzelf linkshalf/linksbuiten. Ik moest zorgen voor zoveel mogelijk diepgang. Dat kon ook omdat we achter mij nog steeds drie middenvelders hadden, mochten we balverlies lijden. Omdat het een ordinaire schoppartij was, ging het er ook om dat we in Amsterdam heelhuids aankwamen, met de gedachten dat we het thuis toch wel af zouden maken. Thuis wonnen we dan ook met 3-0.” De eerste Super Cups (1972 en 1973) waren voor Ajax.

Op 24 januari 1973, tijdens de eerste wedstrijd (first leg) van de gewonnen finale voor de UEFA Super Cup 1972 (de eerste editie) uit tegen Glasgow Rangers FC (1-3) (Ibrox Stadium, 57.000 toeschouwers), stonden Gerrie en Arnold naast elkaar op het middenveld omdat Arnold Johan Neeskens verving (voor de opstelling, zie figuur 7).

Arnold Mühren: “Er veranderde niets aan de speelwijze, alleen ging Gerrit met de punt naar achteren spelen (de positie van Neeskens, MT) en ikzelf links op het middenveld, wat eigenlijk helemaal geen probleem opleverde. Het was gewoon belangrijk dat de posities bezet waren, en wie daar dan stond, moest gewoon doen wat er op die positie vereist was. Gerrit speelde dus in een wat controlerende en ik als een wat meer aanvallende middenvelder, feitelijk dus met Gerrit als slot op de deur.” In Alles over links (p. 56) vertelde Arnold al dat hij in zijn carrière nooit meer een groep (het Ajax van de vroege jaren zeventig) heeft meegemaakt waarin zo veel klasse vermengd was met zoveel discipline. De ploeg paste als een legpuzzel in elkaar, er ontbrak niets aan.

_____________________________________________________________________________________________________Dit artikel verscheen eerder als paragraaf 4 van ‘Arnold Mühren: een ster op het shirt van een bijzondere voetbalcultuur’ (enClave, jaargang 1 | Voorjaar 2021). Het omvangrijke notenapparaat van de schriftelijke versie is in deze digitale versie niet overgenomen.

0 Shares:
You May Also Like