The Cats, The Beatles en Crosby, Stills & Nash: op het eerste gezicht lijken deze drie bands niet heel veel met elkaar gemeen te hebben: vijf Volendammers enerzijds, twee Amerikanen (Crosby en Stills) en een Brit (Nash) anderzijds en dan nog die vier Liverpudlians die op 20 jarige leeftijd Ed Sullivan de hand schudden en vervolgens de laatste overstijgen en eigenhandig de wereld veranderen met hun muziek. Deze bands representeren drie verschillende windstreken, hebben elk andere motieven om muziek te maken en hebben bovendien ieder hun eigen – geheel unieke – achtergrond. Toch zijn er ook overeenkomsten tussen deze muzikanten: het waren jonge mannen die in eerste instantie teveel met muziek en te weinig met geld en royalties bezig waren, die door schade en schande wijzer werden; de meesten groeiden op in een dorp of suburb van een stad en hadden geen reden voor arrogantie. Het was pas later dat ze daar wel reden voor dachten te hebben en ook dat hebben de drie bands gemeen: grootheidswaanzin en heerszucht – want dat werd het uiteindelijk – dreef de leden uiteen. Toch waren er nog regelmatig samenwerkingen tussen The Beatles (maar nooit meer als groep); Crosby, Stills en Nash cirkelden om elkaar heen en hielden elkaar constant in het oog, ondanks vele ruzies en egotripperij. Nu touren ze gewoon weer samen en in september 2015 stonden ze nog in de Heineken Music Hall (zo’n 46 jaar na het opnemen van hun eerste album). En dan The Cats, die als vrienden begonnen en de hele wereld overgingen en waarvan in iedere platenzaak nog steeds de LPs prominent in de platenbakken liggen. Wat deze bands gemeen hebben is hun unieke samenzang en een onderlinge harmonie die blijkbaar sterkere banden creëert dan de muzikanten hadden verwacht of misschien zouden willen.

Een klein woord vooraf over mijn kennis over de bands die worden genoemd in dit artikel. Allereerst; toen ik aan dit artikel begon en er vol enthousiasme over vertelde tegen een empirische vijftiger die was afgestudeerd aan het Conservatorium merkte hij op dat dit een heel erg technisch verhaal zou moeten worden, met verstrekkende harmonie-analyses en met de noten bijna uitgeschreven. Alhoewel die benadering vanuit een absoluut muzikaal standpunt misschien interessant zou kunnen zijn zie ik het als irrelevant. Immers, bovengenoemde artiesten waren nauwelijks of niet geschoold; hun leerschool bestond uit de clubs en podia, ze leerden voornamelijk door ontzettend veel te spelen en juist omdat ze geen geschoolde, empirische houding hadden maakten ze al hun harmonische keuzes op gevoel. Maar daar later meer over. Tot slot; er zijn verscheidene (zelf)benoemde experts die hebben geschreven over The Cats en Crosby, Stills en Nash (en soms Young) en duizenden die hebben geschreven over The Beatles. Ikzelf ben opgegroeid met The Beatles en The Cats en “ontdekte” CSN toen ik op een dag wat over ze las en besloot het eerste album op mijn mp3 speler te zetten. Die nacht, voordat ik ging slapen, drukte ik op het plaatje van het album: een kaft met daarop drie gasten die me zelfverzekerd aankijken, gezeten in een bank die is verkleurd van de zon en waarschijnlijk vaak is verregend. Alle drie mannen dragen een spijkerbroek en hebben lang, ongewassen haar. Ik zal nooit vergeten hoe ik met mijn mond open naar het plafond lag te staren gedurende de eerste 2 minuten van Suite: Judy Blue Eyes en hoe de tranen over mijn wangen rolden op het moment dat Stephen, Graham en David ‘how can you catch the sparrow’ in mijn oor zongen. Het is moeilijk geheel objectief te blijven over muziek waar je je verbonden mee voelt, maar ondanks dat is het wel mogelijk om bepaalde dingen te constateren als fan en muzikant: er zijn patronen te ontdekken en veranderingen te zien in de harmonieën van en tussen de bands. Het is dus als schrijvend muzikant dat ik me in de discussie werp over de harmonie en samenwerkingen tussen The Cats, CSN en The Beatles.

Onmiskenbare invloeden en jeugdig enthousiasme

The Beatles gaven in augustus 1963 de single She Loves You (A kant)/I’ll Get You (B kant) uit. De harmonie waar She Loves You mee eindigt werd bedacht door George Harrison en is een majeur 6 akkoord. Paul McCartney legt uit in de Beatles Anthology: “We took it to George Martin and sang ‘She loves you, yeah, yeah, yeah, yeeeeeaah …‘ and that tight little sixth cluster we had at the end. George said: ‘It’s very corny, I would never end on a sixth’. But we said ‘It’s such a great sound, it doesn’t matter’.” (Pollack, Notes on … Series #5.1 (SLY.1), 2000). Grappig genoeg was het George Martin, de producer van nagenoeg alle Beatles albums, die de harmonie afraadde. Hij vond het teveel lijken op iets wat een meidengroep uit de jaren ’40 zoals de Andrew Sisters zou zingen, maar de Beatles namen de majeur 6 toch op en het zijn juist deze harmonieën die al in een vroeg stadium het typische enthousiasme en de jonge vindingrijkheid van de Beatles laten zien. Nog een voorbeeld van dit koppige enthousiasme is het nummer Please Please Me, dat een interessante voorgeschiedenis heeft. Toen de vier Liverpudlians voor de eerste keer de studio ingingen was het wederom George Martin die hen afraadde dit nummer op te nemen. In plaats daarvan stelde hij voor dat ze How Do You Do It? opnamen, een nummer geschreven door Mitch Murray (het was toen niet gebruikelijk dat de opnemende artiest ook de nummers schreef). Toen the Beatles dit nummer vervolgens opnamen waren ze ontevreden met het resultaat en  een bepaalde ongemotiveerdheid is terug te horen op de opname. De vier bandleden wilden alleen hun eigen materiaal opnemen en stonden op als één: de Beatles eisten dat ze Please Please Me opnamen in plaats van een single die door iemand anders was geschreven. Aan het einde van deze sessie (er werden 18 takes opgenomen) feliciteerde George Martin Paul, George, John en Ringo: “You’ve just made your first number one” (Lewisohn, The Beatles Recording Sessions, 1994).

Op Please Please Me zetten McCartney en Lennon in op dezelfde hoge noot (een e) en blijft de stem van Paul McCartney op genoemde toon, terwijl Lennon’s stem zakt (naar een f# en vervolgens naar een b): “[…] a ploy they learned from the Everly Brothers UK hit song Cathy’s Clown (April, 1960). McCartney legt de harmonie uit: “I did the trick of remaining on the high note while the melody cascaded down from it” (Miles, Paul McCartney: Many Year From Now, 1997). Het moge duidelijk zijn dat de Everly Brothers een belangrijke invloed waren voor de Beatles. Tijdens talentenwedstrijden noemden ze zich ‘the English Everly Brothers’ en Bob Dylan heeft de invloed van de Everly Brothers ook genoemd: “We owe these guys everything. They started it all.” (Saul,  Phil Everly dead: World mourns younger of US rock and roll duo The Everly Brothers,2014). Het zal blijken dat deze broers een verbindend element zijn tussen de drie bands die worden besproken in dit artikel.

The Everly Brothers en impliciete harmonieën

Phil en Don Everly zongen close-harmony vanuit een Amerikaanse traditie; zo namen ze op jonge leeftijd een single op met Chet Atkins, oefenden ze dag en nacht met hun gezin en groeiden ze langzamerhand uit tot een begrip. Hun close harmony was speels, intelligent en ijzersterk en op die manier inspireerden de Everly Brothers vele jongeren. Zo ook twee jongens in Volendam; Jaap Schilder en Piet Veerman, zij noemden zichzelf de “Everly Kosters” en vormden later met Arnold Mühren, Kees Veerman en Theo Klouwer The Cats. Monkey see, monkey do, ook the Cats maakten dankbaar gebruik van de lessen van de Everly Brothers: op “What Is The World Coming To” (Cats As Cats Can, 1967) hoor je Jaap Schilder een hoge g2 aanhouden, terwijl de eerste stem daaronder eerst op de e blijft hangen alvorens naar een g te gaan en er een derde, lagere stem afzakt van de c naar de a. Een soortgelijke harmonie zagen we eerder bij Cathy’s Clown en Please Please Me. Het effect hiervan is dat de stemmencombinaties nieuwe akkoorden creëren binnen de bestaande akkoorden. Anders gezegd, wat in What Is The World Coming To normaal de volgende akkoordenprogressie had geweest: C / F / G, wordt door de toevoegingen van de stemmen dit: Cmaj7 / F9 / G. Dit idee, het interessanter maken van zo’n ogenschijnlijke simpele akkoordprogressies door middel van stemmen is naar mijn mening een van de meeste essentiële krachten van The Cats, The Beatles en CSN. Ik zou hier graag naar verwijzen als “impliciete harmonieën”, gezien deze akkoorden niet letterlijk worden gespeeld, maar slechts worden geïmpliceerd door de stemmen.

Deze impliciete harmonieën brengen ons bij misschien wel de twee beroemdste close harmony groepen uit de rock ’n roll. We gaan terug naar 1955 en we zien twee snotapen van 13 op een oude, doorrookte gitaar hun eerste akkoorden uitzoeken. Graham Nash en Allan Clarke waren The Two Teens – die furore maakten met hun covers van Everly Brothers nummers – en groeiden later uit tot The Hollies. De harmonieën van The Hollies waren befaamd en de invloed van Graham Nash daarin was gigantisch. Het is niet voor niets dat David Crosby en Stephen Stills, na een korte maar beweeglijke akoestische oefensessie met Nash in Los Angeles (op een feestje van Joni Mitchell), het vliegtuig na dat van Nash naar Engeland namen. Dit alles om er maar voor te zorgen dat hun tenor – eenmaal in Engeland aangekomen – niet van gedachten zou veranderen en alsnog bij The Hollies zou blijven. Maar niets was minder waar, de unieke chemie van de drie muzikanten werkte als een bezwering: Nash worstelde zich los van zijn contract en tekende bij Atlantic, hij liet alles achter en vertrok naar Amerika. De close harmony van Crosby, Stills & Nash is beroemd: Crosby de bariton die met zijn zoete stem altijd langs alle noten “schaaft” om zich zorgvuldig om de eerste stem te vouwen, zonder deze ooit in de weg te zitten. Graham Nash, de quintessentiele poptenor, die zeker en doeltreffend de hoogste registers voor zijn rekening neemt en altijd de muziek naar een hoger niveau weet te tillen. Tot slot, het bluesy, rauwe geluid van Stephen Stills dat zich tussen de andere twee stemmen manoeuvreert. Stills, die tevens alle instrumenten – op de drums na – van het eerste album heeft ingespeeld. Deze combinatie resulteerde in die typische, geroemde folk-rock harmonie, geëmuleerd (maar nooit geëvenaard) door onder andere America en The Eagles. Een van de belangrijkste technieken toegepast door CSN is de kwintparallel. Hierin bewegen twee stemmen in dezelfde richting terwijl het interval, de afstand tussen de twee stemmen, gelijk blijft, namelijk vijf noten (de kwint). Er zijn meerdere voorbeelden hiervan aan te wijzen, maar twee iconische bijvoorbeelden zijn Woodstock en Teach Your Children. Bij Woodstock zingen Crosby en Nash respectievelijk de bariton- en tenorstemmen in parallelle kwinten (bij het refrein zet Crosby in op de f en Nash op de hoge a, waarna ze parallel zakken naar respectievelijk een d en een f#), terwijl Stills de eerste stem voor zijn rekening neemt. Als we hier een soortgelijke akkoordanalyse als eerder op projecteren gebeurt het volgende: de akkoorden die door de instrumenten worden gespeeld zijn het simpele C / G / C / G, maar door de toevoegingen wordt het de volgende impliciete harmonie: Fsus4 (bas: C) / G7 / Fsus4 (bas: C) / G.

Bij Teach Your Children zingen CSN wederom parallelle harmonieën: het eerste couplet wordt samen door Stills en Nash gezongen en het refrein door alle leden. Interessant genoeg pakt Nash hier de hoogste stem en stapt hij dus af van de eerste stem welk wordt overgenomen door Stephen Stills. “Alles voor het koortje” moet het trio hebben gedacht. In het tweede couplet zingen Crosby en Stills een canon onder Graham Nash die nu in zijn eentje de lead stem zingt. Deze drie verschillende technieken – bij Teach Your Children toegepast in een enkel lied – demonstreren heel goed de kunst van CSN: het laten plakken van je eigen stem aan of tussen die van de andere zangers. Hierdoor wordt de stem van het individu vaak minder belangrijk, want het koortje als geheel is belangrijker dan het ego. Als we dan naar de The Cats kijken begrijpen we waarom Piet Veerman zelden in koortjes meezong; zijn stem plakte niet goed tussen die van de andere Cats. Echter, met Piet op lead en de andere jongens achter hem ontstonden harmonieën die magisch mogen worden genoemd. Ook de Cats gebruiken vaak kwintparallellen, niet altijd even gedurfd als Crosby, Stills & Nash, maar daarom niet minder vindingrijk. Een goed voorbeeld hiervan is te zien in het refrein van One Way Wind: Piet Veerman zingt de lead en zet het refrein in op g#  en verplaatst naar een b, de tweede stem opent op de e en gaat omhoog naar de g#. Op een notenbalk zou je goed kunnen zien hoe de noten zich parallel verplaatsen ten opzichte van elkaar. In het door Arnold Muhren gepende Magical Mystery Morning zingen The Cats driestemmige parallellen in alle coupletten en in de refreinen: het lied opent op een D-akkoord en de stemmen zetten ook in op dat akkoord (lead: a, tweede stem: d, derde stem: f#) om vervolgens omhoog te gaan en in het zelfde akkoord te blijven: (lead: d, tweede stem: f#, derde stem: a). Hieraan is duidelijk te zien dat iedere Cat een rol had binnen ieder koortje en deze feilloos aanvoelde, daarom klinken de harmonieën van The Cats zo natuurlijk en nauwsluitend. Deze ritmische strakheid en dit soort parallelle harmonieën staan aan de wieg van de Palingsound, die op haar beurt knipoogt naar de Everly Brothers.

Onbelaste samenzang

Niets geschoolde achtergronden of klassieke invloeden, het waren jonge-honden-enthousiasme en oren die luisterden naar de tijdsgeest die als springplank dienden voor deze artiesten. Hun leerschool bestond uit de podia van groezelige barretjes waar hun ouders maar beter in het ongewisse over konden worden gelaten. Echter, één belangrijk feit mag niet over het hoofd worden gezien: deze jonge muzikanten stonden onder de begeleiding van doorgewinterde studio experts. John, Paul, George en Ringo hadden George Martin, Geoff Emerick en alle andere deskundigen aanwezig in Abbey Road. George Martin, voornamelijk in het begin, arrangeerde de nummers samen met The Beatles, maar nooit ten koste van hun eigen gevoel bij het nummer, zoals eerder gezien. Een akoesticus vertelde mij eens dat die de geluidstechnici van Abbey Road en van vroegere opnames “mannen in witte jassen” moeten zijn geweest. Zo intelligent en goed zijn de opnames van die tijd. Piet, Cees, Jaap, Arnold en Theo hadden Wim Jongbloed die van 1968 tot 1974 verantwoordelijk was voor de magnifieke orkestratie op de platen van The Cats. In het boek One Way Wind wordt verteld hoe de Cats leden na Jongbloeds overlijden een bezoek brachten aan zijn vrouw om haar te bedanken voor zijn aandeel. Hij wist bepaalde nummers zodanig te arrangeren dat deze zichzelf overstegen. Crosby, Stills & Nash hadden Bill Halverson, die ook al had opgenomen met onder andere Jimi Hendrix, Joe Cocker, Chuck Berry, The Beach Boys, Eric Clapton en Emmylou Harris. In een interessant SoundOnSound artikel vertelt geluidstechnicus en engineer Bill Halverson over de opnames van Crosby, Stills & Nash’s Suite: Judy Blue Eyes (Crosby, Stills & Nash, 1969) en over de virtuositeit van de drie zangers: “Singing into the one mic, they moved around a bit. They didn’t need any music; they were rehearsed, they knew the lyrics, and while harmonising with each other they were also in the process of amazing each other.” (Buskin, Crosby, Stills & Nash ‘Suite: Judy Blue Eyes’ – Classic Tracks, 2010). Wat ik hiermee wil zeggen is dat de CSN, The Beatles en The Cats muzikaal gezien volledig hun gang konden gaan; ze werden niet belemmerd door geluidstechniek, muziektheorie, notenschrift of voorgeschreven partijen. Juist hierom ontstonden die beroemde koortjes waar nu, bijna 50 jaar later, zo bewonderend over wordt gesproken. Iedere zanger pakte simpelweg de stem die voor hem het meest comfortabel aanvoelde en verkende vervolgens zijn toebedeelde regionen. De aldus ontstane impliciete harmonieën zijn geen onderdeel van enige technische vaardigheid die aan de muzikanten moet worden toegeschreven, maar van een uniek automatisme, gedreven door een tomeloos enthousiasme en geboren uit de liefde voor de close harmony van onder andere The Everly Brothers.

Bibliografie

Buskin, Richard. Crosby, Stills & Nash Suite: Judy Blue Eyes – Classic Tracks. SoundOnSound,                         August 2010.

Diggelen, L. van, Frollano, S., Lucarreli, F. en Verbeke, H. Crosby, Stills, Nash and sometimes Young.     2011.

Lewisohn, M. The Complete Beatles Recording Sessions: The Official Story of the Abbey Road Years        1962 – 1970. Sterling: 2013.

Miles, Barry. Paul McCartney: Many Years From Now. Henry Holt and Company: New York, 1997.

Saul, Heather. Phil Everly dead: World mourns younger of US rock and roll duo The Everly Brothers.             Independent. January 2014.

Simmons, Sylvie. Distant Voices. MOJO:September 2014. pp. 70-84.

Tol, J. en Veerman, M. One Way Wind, de Geschiedenis van de Palingsound. 1999.

Tuyp, M. en Houthuijsen, F. 2REWIND special ter gelegenheid van 50 jarig bestaan van The Cats, December 2014.
Zimmer, David. Crosby, Stills & Nash: The Biography. Da Capo Press: Boston, 2008.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in 2Rewind 2015 (nu Cultureel Opinieblad EnClave).

1 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Orla Gartland – ‘Woman on the Internet’

Terwijl jongeren constant op de gevaren van het internet worden gewezen, voelde Orla Gartland zich er al vroeg comfortabel. Met ‘Woman on the Internet’ legt de Ierse zangeres en songwriter een arm om de schouder van luisteraars die hetzelfde doormaken als zij.
Lees verhaal

Springsteen en waarom

Gastschrijver Jaap Schilder (de Witte) vertelt vol overgave over Bruce Springsteens inzicht in de menselijke geest en het terugkerende thema in zijn muziek: Amerikaans escapisme.
Lees verhaal

Geluid als vriend en vijand

Gastschrijver Wouter Prinsen heeft de diagnose misofonie: hij kan bepaalde geluiden niet uitstaan. Toch zoekt hij regelmatig de grenzen op van de geluids- en muziekgrenzen, van John Cage tot de Japanse noise-artiest Merzbow. In dit artikel voor enClave beschrijft Wouter zijn relatie met nare en bijzondere geluiden.