Zoals gezegd zou Jip Golsteijn met de invloed van katholieke koorzang (zie artikel1) kunnen hebben gedoeld op de opera-invloed op de zangstijl van Piet Veerman. Een andere, onmiskenbare klassieke invloed is de orkestrale begeleiding van de Cats-samenzang – vooral de zes singles van Turn Around And Start Again (24 februari 1968) tot en met Marian (13 december 1969), met drie zelfgeschreven nummer één hits de gouden periode – die als een Baroque popvariant zou kunnen worden gekenschetst. Met uitzondering van het hilarische drinklied, de cover Shaving Cream, kan het gehele album Colour Us Gold (1969) onder de noemer Baroque pop worden gebracht. Dit inclusief For As Long As You Need Me van de hand van de latere Alan Parsons Project oprichter en de ook voor EMI als arrangeur en orkestleider werkzame Eric Woolfson. Het genre ontstond midden jaren zestig. Denk daarbij aan Procol Harum (Procol Harum, 1967), The Moody Blues (Days Of Future Passed, 1967), het album Something Else By The Kinks (1967) van The Kinks (inclusief het wonderschone Waterloo Sunset), de single Lady Jane (Aftermath, 1966) van The Rolling Stones en iets later Nick Drake (Bryter Layter, 1970).

De bij de Volendamse indiefolk band AlascA populaire, uit Seattle afkomstige Fleet Foxes – hun titeloze debuut uit 2008 werd door het Britse muziekblad MOJO een van de beste vijf albums van het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw genoemd – wordt als een tegenwoordige representant gezien. Volgens Jaap Mol vormde Penny Lane (alleen op single met dubbele A-kant uitgebracht, voorproefje Sgt. Peppers Lonely Heart Club Band, 1967) van The Beatles – op haar beurt een reactie op het onnavolgbare God Only Knows van The Beach Boys (Pet Sounds, 1966) – de voornaamste inspiratiebron voor de koerswijziging die voor The Cats het grote succes bracht. Hier wordt de inbreng van de orkestraal en melodieus ingestelde arrangeur Wim Jongbloed en de wijde productiewijze van de zichzelf als ‘galmman’ omschrijvende producer Klaas Leyen van doorslaggevend belang.
Gerrit Woestenburg vroeg zich echter af of deze keuze voor Baroque pop wel zo bewust gemaakt is. Popmuzikanten die in Nederland hun muziek wilden opnemen, kregen volgens hem vanzelf te maken met arrangeurs en producers die vanuit hun vaak klassieke achtergrond (overigens was arrangeur Wim Jongbloed de internationaal gewaardeerde jazz-pianist van the Atlantic Quintet) automatisch blazers en strijkers toevoegden. Ook Leiber & Stoller maakten bij hun productie van The Drifters graag gebruik van zwaar aangezette, klassiek-achtige vioolpartijen. Het door Ben E. King gecomponeerde en door Leiber & Stoller geproduceerde There Goes My Baby uit 1959 is zelfs één van de eerste rock & rollplaten met een strijkersorkest. In ieder geval werden klassieke instrumentatie en orkestratie midden jaren zestig steeds vaker losgelaten op het radioformat van een standaard popliedje van drie minuten.

De benaming Baroque pop lijkt vooral ingegeven doordat de piano, die pas laat tijdens de Barok (1600-1750) werd uitgevonden, werd vervangen door één van haar voorgangers, de klavecimbel. Het laatstgenoemde instrument is vooral in Times Where When (The Cats, 1968) en Scarlet Ribbons (Colour Us Gold, 1969) prominent. Terwijl de viool (luister naar het intro van Lea) in bijna alle in dit artikel bedoelde Cats-liedjes een melodische hoofdrol speelt – Cees Veermans ook als b-kant op single uitgebrachte Without Your Love (Cats As Cats Can, 1967) lijkt ook hier een model –, wordt dit met hobo en hoorn (Turn Around And Start Again, Lea en Why) en dwarsfluit (Marian) waar nodig nog verder aangevuld. Ook de dwingende paukenslagen waarmee het refrein van Lea vrij massief wordt ingeleid, zijn exemplarisch. Met drums kan dit dramatische, crescendo-effect niet worden bereikt. De spanning van eerste couplet naar pauken naar eerste refrein is subliem opgebouwd, aldus Thoom Veerman (de Koe).
Ook de voornamelijk harmonisch ingezette klassieke instrumenten zijn sfeerbepalend. Denk aan die fraaie cello die in Why vanaf het dramatische ‘Look at me’ het gehele liedje door de lagere stem van Piet Veerman ondersteunt en begeleidt. Hoewel nooit te achterhalen valt in hoeverre dit een rol heeft gespeeld, is het opvallend dat de doorbraak met Times Where When (in 1967 door het Schotse Six gecomponeerd en uitgebracht), een maand na de wereldschokkende studentenrellen in het Parijs van mei 1968 plaatsvond. The Cats appelleerden met hun Baroque pop versie niet alleen tekstueel maar ook vocaal en qua orkestratie aan tijden die voorgoed voorbij leken.
Bij de hier bedoelde zes singles wordt steeds subtiel gevarieerd binnen de hiervoor geschetste formule. Telkens wordt net een nieuw element toegevoegd of wordt de instrumentatie iets gewijzigd. Zo start volgens Jaap Mol het arrangement van Lea daar waar dat van Times Where When eindigt, ze lopen als het ware in elkaar over, al wordt dat door het verschil in sfeer (berustende melancholie versus dramatisch liefdesverdriet) en thema (voorbije tijd versus verloren liefde) wat aan het oor onttrokken. Ook hier valt de subtiliteit van arrangeur Wim Jongbloed op aldus Thoom Veerman (de Koe). Waarin het destijds gebruikelijker was om een halve of hele toon omhoog te moduleren gaat Jongbloed na het eerste refrein van Times Where When omlaag. Kees Schilder (de Bok) vond Why ten opzichte van Lea vervolgens weer een grote artistieke stap vooruit.

Vanwege die twee verschillende concurrerende mannelijke karakters c.q. stemmen is hier feitelijk sprake van pop-opera, aldus Schilder. Componist Arnold Mühren vertelde ook dat het duet uit ‘de Parelvissers’ in zekere zin als voorbeeld had gediend. Why zal ongetwijfeld hoge ogen gooien als Catsliefhebbers wordt gevraagd naar hun favoriete Catslied. Na Why schoven The Cats hun inmiddels uitgekiende formule ook over David & Jonathans versie van de traditional Scarlet Ribbons. De solozang en de samenzang van The Cats is een verdere uitwerking van deze uitvoering. David & Jonathan was de artiestennaam van Roger Cooke en Roger Greeneway die elkaar hadden leren kennen bij de Britse close-harmony zanggroep The Kestrels. Vanaf 1968 legden zij zich – ook als duo – volledig toe op het componeren (voor derden).
De eerste vier Cats-singles op het label van Bovema (zie ook artikel 4) zijn ook van hun hand. Volgens Thoom Veerman (de Koe), het muzikale brein en de toetsenist van The Tribute To The Cats Band, die op het podium via zijn synthesizer ook de strijkersarrangementen voor zijn rekening neemt, vertelde een klassiek opgeleide violist hem eens dat hij het strijkersarrangement bij Scarlet Ribbons geweldig vond, en dat die vioolpartijen die daar onderdeel van vormen verre van eenvoudig te spelen zijn. De solo van eerste violist Benny Behr, die Piet Veermans stem in het tweede couplet begeleidt, is van een ontroerende schoonheid. Een strijkersensemble kon bij plaatopnames van The Cats – beluister ook Daybreak (The Cats, 1968) – zomaar uit achttien personen bestaan. Wim Jongbloed werd ook door internationale artiesten zoals Roger Whittaker gevraagd om de strijkpartijen te arrangeren. De uit New York afkomstige Richard Klein, een neef van Evelyn Dantzig – de componiste van de muziek van Scarlet Ribbons – reageerde op de website van The Tribute To The Cats Band dat hij hun op youtube geplaatste uitvoering, (Grote Kerk, Edam, 2011) de allermooiste vond die hij ooit gehoord had. Volgens Thoom (de Koe) werd deze versie feitelijk uit de losse pols gedaan. Zij was in ieder geval niet van te voren gerepeteerd. Op dit ogenblik bestaan er minimaal vierenveertig verschillende versies van Scarlet Ribbons.
Overigens dient opgemerkt dat The Cats het op het podium, zeker voor de komst van bühnepianist Jan Keizer, tot midden jaren zeventig zonder al deze toeters en bellen (lees: strijkers) moesten doen. Uit het feit dat hun live-reputatie sterk was, bleek dat dit hen goed af ging. Gelukkig is deze kwaliteit op The Cats Live (1984) ook vastgelegd. Eerstgenoemde auteur heeft er nog steeds spijt van dat hij de kans om hen live te zien destijds niet heeft gegrepen. Na het vrij sober geїnstrumenteerde (inclusief een naar de voorgrond gehaalde gesyncopeerde elektrische bas en een after-beat gespeelde piano) Marian, en het, zeker thematisch, psychedelische, door Cees Veerman en Arnold Mühren gezamenlijk lead-gezongen, ook weer van een subtiele baspartij voorziene Magical Mystery Morning (1970) (twee niet op lp verschenen singles van Arnold Mühren), wordt de Baroque pop de rug toegekeerd met het door Piet Veerman gecomponeerde Where Have I Been Wrong. Dit nummer opent het album dat de eerste waterscheiding binnen de Cats-discografie vormt: Take Me With You (1970).

Dit vierde album ademt country, de arrangementen zijn over het algemeen eenvoudiger en de sound is minder orkestraal geworden. Cees Veermans Cryin’ Like I Never Done Before en auteur Peter Schoonhovens I Don’t Know zijn de spreekwoordelijke uitzonderingen. Alle composities minus één (Peter Schoonhoven was destijds de directeur van EMI Music Publishing) zijn nu ook van eigen hand, en elk van de vijf leden leverde ze zelfstandig aan. Hoewel de strijkers in Where Have I Been Wrong nog niet zijn verdwenen, spelen de electrische bas, de country-achtige sologitaar en de spaarzame, maar dramatisch zeer effectieve piano nu de hoofdrollen. Jaap Mol gaf aan ook zeer gecharmeerd te zijn van de ‘raggende’ slaggitaar die de boel verbindt. Echo’s van de hier debuterende, voor de Catssound zo kenmerkende sologitaar duiken door het gehele latere repertoire op.
Luister daarvoor bijvoorbeeld naar Arnold Mührens One Way Wind (Aglow, 1971), het door Piet Veerman geschreven, voor een single helaas te lange, Tryin’ To Explain (Signed By, 1972) en single Maribaja (Home, 1973). Omdat het na Where Have I Been Wrong uitgebrachte door Pink Floyd beïnvloedde ook door Piet Veerman geschreven Don’t Waste Your Time (niet op lp verschenen) de eerste single was die sinds Times Where When de top tien niet haalde (elfde plaats), werd met de opvolger, Arnold Mührens One Way Wind (Aglow, 1971), toch weer binnen de lijntjes gekleurd. En hoe, uiteindelijk werd dit de grootste internationale Catshit, en waarschijnlijk mede vanwege de eenvoudiger na te bootsen, ingetogenere zang ook de meest gecoverde Catsplaat.

Zoals gezegd was de invloed van gospel, soul en ook Baroque pop sinds Take Me With You (1971) afgenomen. Vooral ook bij de singles werd de formule af en toe nog van stal gehaald. Luister bijvoorbeeld naar Arnold Mührens van pauken (en vrouwenkoor) voorziene There Has Been A Time (alleen op single uitgebracht, 1972). Omdat The Cats in de kern eigenlijk altijd een echte sixties-singlesband zijn gebleven – hetgeen ook wordt geïllustreerd door het feit dat er van hen jammer genoeg alleen nog maar verzamelalbums worden uitgebracht – vormen de latere, zoveel mogelijk chronologisch besproken singles in artikel 5 elders in dit nummer een vervolg op deze rode lijn binnen ons betoog.