Ik schrijf geregeld over muziek, maar nog nooit over die van Van Morrison. Omdat sleutelalbum Astral Weeks (1968) vijftig jaar bestaat (en ik ook), werd het tijd om deze ereschuld eens in te lossen. Wat zegt mijn liefde voor zijn muziek eigenlijk over mij?  Sprak zijn hang naar mystiek mij als katholiek onbewust aan? Vervulde zijn muziek iets wat ik niet (meer) in de kerk vond? Kon ik mij in hem verplaatsen omdat ik net zo’n einzelgänger ben als hij? Vind ik daarom zijn interpretatie van de spiritual Sometimes I Feel Like a Motherless Child (Poetic Champions Compose, 1987) zo aangrijpend? Ik zou Lord Don’t Leave Me van The Davis Sisters (luister naar de sample van een hartverscheurende Jackie Verdell van The Davis Sisters in Moby’s In This World) ook weleens van hem willen horen. Maar goed, waarom niet eens proberen om deze vragen te beantwoorden?

Op aanraden van mijn ome Dickie stapte ik op mijn veertiende in bij Beautiful Vision (1982). Naast Led Zeppelin, Black Sabbath en Deep Purple kon enig stichtelijk tegenwicht ook geen kwaad. Een persoonlijke ontmoeting is trouwens nimmer een hartewens geweest. Van Morrison is net als ik te introvert.  Sowieso was ik nooit zo ‘starstrucked’  ̶  een kunstenaar ontmoet je in zijn werk, of nooit. Maar eerlijk is eerlijk, een gesprek met de extraverte Ozzy Osbourne (zanger Black Sabbath) sla ik dan weer niet af. Give me 1000 words on Black Sabbath’, aldus de legendarische Rolling Stone-redacteur Lester Bangs   ̶  een memorabele Philip Seymour Hoffman (1967-2014)  ̶  in het hilarische Almost Famous (2000) tegen de veertienjarige hoofdpersoon die dolgraag muziekjournalist wilde worden. Lester Bangs  ̶  die het debuut van Black Sabbath neersabelde: ‘Just like Cream, but worse. C-   ̶   noemde Astral Week in Stranded (1979) the rock record with the most significance in my life so far.’ Mijn stuk over Black Sabbath, naar aanleiding van de verschijning van hun afscheidsalbum 13,stond in de NIVO van 10 juli 2013 (p.12). Over Astral Weeks zijn we het wel eens.

In hetzelfde jaar waarin ik Van Morrison ontdekte, werd hij vanwege het de pan uit swingende Too-Rye-Aye (1982) van Dexys Midnight Runners weer hot: na het door hem beïnvloede Come On Eileen (UK 1 US 1) volgde als tweede single een cover van zijn Jackie Wilson Said (afkomstig van St. Dominics Preview (1972), het album dat ik hetzelfde jaar nog kocht (zie ook hierna)). Tijdens het beluisteren van het origineel van Jackie Wilson Said verscheen het hoofd van Petra, mijn elfjarige zusje die Too-Rye-Aye ook geweldig vond, achter mijn zolderkamerdeur:  W-a-t- i-s-d-i-t? Van mijn  vader en moeder mocht ik Van Morrison ook beneden op de pick-up draaien.
Celtic Ray, de opening van Beautiful Vision was het eerste dat ik van hem hoorde: ‘When Lewellyn comes around / And he goes through Market Town / You’ll be on the Celtic Ray / Are you ready?’ De combinatie van dwarsfluit, Uilleann pipes (de Ierse doedelzak) vrouwelijk achtergrond koor en vervolgens die stem die mij nooit meer los zou laten: ‘Ireland, Scotland, England and Wales / I can hear the mothers’ voices calling / “Children, children, children”. Dit gaat over cultureel en spiritueel thuiskomen. Vanuit Californië emigreerde hij destijds ook weer naar Groot-Brittanië (Londen).

Als dichter is Van Morrison niet van Dylans kaliber  ̶  zijn vocale improviserende stijl laat dat waarschijnlijk  ook niet toe  ̶  maar een exceptioneel zanger is hij zeker. Jagger is vocaal ook schatplichtig aan hem. Nog altijd reageer ik haast fysiek op zijn stem. Greil Marcus in Listening to Van Morrison (2010, p.7): ‘As a physical fact, Morrison may have the richest and most expressive voice pop music has produced since Elvis Presley’. Hij drukt er een rijk palet aan emoties mee uit, die bovendien vrij dicht onder de huid blijken te zitten, denk bijvoorbeeld aan die schorre, rauwe sneer waarmee hij in Gloria misschien welde eerste garagerockriff ooit begeleidt: Wanna tell about my baby / Lord, you know she comes around / About five feet four / From her head to the ground’. De Ierse tenor John McCormack noemt het de yarragh (Greil Marcus, Listening To Van Morrison, p. 8). Het lied zingt jou, zoiets. In ieder geval werd zijn stem de maatstaf voor elke stem. Met de kracht van een misthoorn beheerst hij zowel vocaal als compositorisch elk metier binnen de Westerse volks- en popmuziek: (Ierse) folk, gospel, blues, jazz, country, rhythm & blues en soul. Binnen zijn eigen Celtic soul spelen violen, fluit, tin whistle en doedelzakken een prominente rol. Want ja, Celtic soul schijnt dus wel de uitvinding van onze Belfast cowboy te zijn. De oerbron is de rijk gesorteerde platencollectie van zijn vader, die deze als elektricien overhield aan een werkperiode in Detroit in de vroege jaren vijftig. Door zijn vaders platencollectie werd Amerika voor hem het beloofde land.

De jaren van 1982 tot 1990 toen hij mijn (muzikale) baken en referentiepunt vormde, zijn eigenlijk mijn Astral Years. Rogan (No Surrender, 2005, p.341) verwoordde het treffend: ‘a panacea for a more cynical and materialistic decade’. Zoals ik destijds elke nieuwe film van Al Pacino direct bezocht  ̶  het heeft iets van doen met de oncompromisloze, doorleefde emotie die beiden in hun werk brengen, daarom ontroert die brede glimlach van Al Pacino mij wanneer hij Van Morrison zijn OBE (Order Of the British Empire) uitreikt  ̶ , kocht ik tot en met Enlightment (1990) gelijk elk nieuw Van Morrison-album. Maar met laatstgenoemd album vond ik dat hij zich begon te herhalen en haakte ik af. Het daaraan voorafgaande Avalon Sunset (1989) heb ik destijds trouwens behoorlijk onderschat. Die snob, ik, vond het te commercieel. Wanneer ik dat eerder had onderkend, had Enlightment waarschijnlijk ook meer speeltijd gekregen. Maar daarvan vond ik de titel dan weer wat aanmatigend. U voelt al wel aan, ik ben minstens net zo lastig als Van Morrison. Het gevolg was wel dat ik zijn latere werk vrijwel niet ken. Misschien moet ik mij er toch eens in gaan verdiepen.

Natuurlijk zal ook mijn volwassenwording, toch een zekere drempel, iets met die na Enlightment (1990) optredende verwijdering van doen hebben gehad. Maar waarschijnlijk was Van Morrison uiteindelijk ook het slachtoffer van die  ̶  nadat ik economie was gaan studeren, met het eerste jaar vrijwel alleen wiskunde en statistiek  ̶  zich in sneltreinvaart voltrekkende onttovering van de wereld van mijn jeugd. De hevige verliefdheid duurde dus tien jaar, de liefde verdween uiteraard nimmer. Nog vorig jaar kocht ik de speciale uitgave van live-album It’s Too Late To Stop Now (1973) met die waanzinnige ritme-sectie, inclusief de geweldige, jazzy toetsenist Jeff Labes (zie ook Moondance). Op dit volgens sommigen beste live-album ooit gemaakt, maakt Van Morrison er een sport van om van geen enkel liedje de oorspronkelijke melodielijn te volgen. Bovenal wil hij met zijn stem de band ritmisch leiden. En dat doet hij f-e-n-o-m-e-n-a-a-l. In een recent interview in UNCUT (januari 2019) gaf hij aan dat voor zijn zangstijl Ray Charles At Newport 1960 een belangrijke inspiratiebron was. ‘Listen to Ray sing, I believed to my soul, after school’ (Got to Go Back). EenVan Morrison die over zijn jeugd zingt, voert mij al snel terug naar de mijne.

Mijn eerste drie Morrison-albums waren Beautiful Vision, Astral Weeks (1968)en St. Dominics Preview (1972). Moondance (1970) kon ik op zondagmiddag op de kamer van mijn nog thuiswonende ome Dickie ook beluisteren. Op het Waterlant College kocht ik eens een hele week geen koffie om samen met mijn zakgeld (f 12,50) op vrijdagmiddag voor f 14,95 precies het afgeprijsde St. Dominics Preview bij Jan Cas Sombroek te kunnen aanschaffen. Het besef toch nooit dicht genoeg bij het gevoel van deze jeugdervaringen te kunnen komen stemt mij soms wat melancholiek. Dat je je desgewenst altijd alles kunnen herinneren het menselijk leven misschien wel onmogelijk maakt, het onderwerp van een aflevering van de Britse anthology science-fiction serie Black Mirror (The entire history of you , seizoen 1, aflevering 3), biedt slechts een schrale troost.

Inarticulate Speech of the Heart (1983)  ̶  mijn vierde Van Morrison-album  ̶  leidde tot wat ik maar even de ‘L. Ron Hubbard Controversy’ noem. ‘Special thanks to L. Ron Hubbard’ stond achterop de lp-hoes  ̶  op de The Van Morrison CD-Remasters uit 2008 ontbreekt de tekst. Terwijl ik dit schrijf, merk ik dat ik het mijn jeugdidool nu aanzienlijk kwalijker neem dan destijds. Want Hubbard was wel de oprichter van Scientology. En ik was vijftien hé! The Master’s Eyes van A Sense Of Wonder (1985) is achteraf bezien eigenlijk ook een wat ongemakkelijk nummer. De film The Master (wederom een schitterende Philip Seymour Hoffman) geeft een scherp beeld van een narcistische, paranoïde psychopaat if there ever was one. A tax-exempt organization met als spiegelbeeld een zieke geest en als motorblok een op chantage gebaseerd verdienmodel (zie Going Clear: Scientology and the Prison of Belief uit 2015). Daar kan ‘Faistboek’ nog een puntje aan zuigen. Hubbards magnum opus Dianetics is vooral Jibber Jabber. Sterk vind ik dan wel weer wel dat onze rossige, stijfkoppige Ier uit Oost-Belfast zich anders dan John Travolta en Tom Cruise  ̶ kreeg hij ook zo’n VIP-behandeling?  ̶  niet liet bangmaken of chanteren: ‘I gave those fuckers six figures. And they told me before I went into the next grade that I had to guarantee them x amount every year to get the secrets of the next degree,’ and Van said to them, ‘Tell me what the secrets are and I’ll tell you whether it’s worth a few million (…)’  (Heylin, C. Can you feel the silence, p. 375). Hahaha, je krijgt toch zo  nog medelijden kmet die Scientology. Met In the Garden van het sterke No Guru, No Method, No Teacher (1986) sloot hij deze episode nadrukkelijk af:No Guru, no method, no teacher / Just you and I and nature / And the Father and the / Son and the Holy Ghost’. Terug in de schoot van de Vader.

Dat hij inmiddels zelfverklaard atheïst is (interview in UNCUT October 2017, p.60 – 65), geeft hem mogelijk rust, maar stemt mij bepaald niet vrolijk. Als hij er al niet meer in gelooft, wat moet ik dan? Waar hij eerst zijn spiritueel ook zoekende moeder leek te volgen, komt hij uiteindelijk dus uit bij zijn atheïstische vader (zie ook hierna) die het altijd al in de muziek zocht. Daarom gaat hij muzikaal ook weer terug naar het begin, zijn vaders platencollectie. En volgens de vroegromantici grenzen kunst en religie aan elkaar. Twee van mijn favoriete, ook literair begenadigde, negentiende eeuwse filosofen ─ Schopenhauer en Nietzsche ─ die  ook wel als laatromantici kunnen worden gezien, beschouwden muziek als de hoogste kunst. Muziek is de enige kunst die puur uit vorm bestaat. Making music is another way of making children’ (Friedrich Nietzsche, The Will to Power, p. 249).

Laten wij ons in voornoemde zin eerst eens op Van Morrisons mooiste kinderen concentreren. Na het van een ijzersterke A-kant voorziene debuut Blowin’ your mind (1967)  ̶  in het onvergelijkbare, aangrijpende, bluesy TB Sheets benauwt de geur van de lakens in de slaapkamer van zijn  aan tbc lijdende vriendin Julie hem  ̶  vormen de volgende zeven studiolbums een reeks die je slechts terugvindt bij de allergrootsten: Astral Weeks (1968), Moondance (1970), His Band And the Street Choir (1970), Tupelo Honey (1971), St. Dominics Preview (1972), Hard Nose The Highway (1973) en Veedon Fleece (1974). Bij de wielersport zou je doping vermoeden. In zijn langer uitgesponnen, epische nummers stak hij zowel Dylan als Young naar de kroon, en zonder enige twijfel was hij van de drie de beste zanger. Net als zovelen was ook hij tijdens de vervolgens opkomende punk en disco zoekende. The Last Waltz (1976) vormde het afscheid van een rockgeneratie. Pas met Into The Music (1979) haalde hij weer zijn eerdere niveau.

Wat sleutelplaten van deze zeven studio-albums (met uitzondering van Astral Weeks waar ik hierna nog wat uitgebreider op terugkom): in And It Stoned Me vergelijkt hij een jeugdervaring (een visuitje in stromende regen) met de muziek van jazz-pionier en pianist Jelly Roll Morton; Into the Mystic met de sleutelzin die later in een soort rallying cry veranderde: ‘It’s too late to stop now’; Gypsy Queen, een perfect lied om met een door God gegeven (kop)stem die rond dat kampvuur dansende, schaarsgeklede zomerliefde mee toe te troubadouren; de ontroerende want oprechte gospel van If I Ever Needed Someone en Street Choir, de unieke, autobiografische liefdesbetuiging Tupelo Honey; het elf minuten durende, diep gravende Listen to the Lion waarin hij in de finale de in hem levende, grommende leeuw ruim baan geeft, misschien wel zijn meest kenmerkende plaat, een ook voor de luisteraar therapeutisch werkende song; net als het door Gestaltpsychologie geïnspireerde, waanzinnige You Don’t Pull No Punches, But You Don’t Push The River; en het voor mij onlosmakelijk verbonden aan een onbeantwoordde jeugdliefde  ̶  volgens een schrijver wiens naam mij helaas ontvallen is de enige eeuwige liefde  ̶  Snow in San Anselmo + Warm Love. Ik draai mijn gehele Van Morrison-collectie zeker eens per jaar (maar dan ook drie dagen achter elkaar). Dit omdat ik Henk Kwakmans goede gewoonte heb overgenomen om altijd te blijven zoeken naar muziek die je nog niet kent. Mijn kinderen van vijf en zeven zingen het refrein van Everyone (Moondance) enthousiast mee. U begrijpt: aan mij zal het niet liggen.

Even terug naar het begin: wat raakte (en raakt) mij zo in zijn muziek? Destijds, in het pre-internet tijdperk, met de OOR Pop Encyclopedie als enig houvast, vroeg ik mij weleens af, of hij, geboren en getogen in Belfast, nou rooms-katholiek of protestant was. Ik wist dat hij apolitiek was, maar toen begreep ik nog niet dat mystici in hun spirituele zoektocht uiteindelijk elke religie achter zich laten. Ook pas veel later kwam ik er achter dat zijn vader openlijk atheïst was en zijn moeder een tijdje Jehova getuige (zie hiervoor). Vanuit dat standpunt bezien was zijn latere flirt met Scientology misschien begrijpelijker. Binnen protestants Oost-Belfast allemaal prima, zolang je maar niet katholiek was. Van Morrisons middelbare school heette Orangefield, en dat Oranje was net als het onze protestants. Luister naar de song Orangefield met die schitterend dwingende, bijna reciterende opening: ‘On a golden autumn day! / You came my way in Orangefield’. Elke zaterdagavond kwamen familieleden en vrienden naar hun huis aan Hyndford Street 125 (Oost-Belfast) om muziek te maken. Volgens biograaf Johnny Rogan (No Surrender, London, 2005) vormde muziek binnen dit gezin de ware religie. Hoewel Alan Parkers verrukkelijke film The Commitments (1991) in katholiek Dublin in plaats van in protestants Belfast speelt, niet in de jaren zestig maar in de jaren tachtig, en niet over rhythm & blues maar over soul gaat, schetst het een beeld waarvan ik mij afvraag of het veel verschilt van die van de begindagen van Them. Als ze, in hun geval, geen swingende soul maakten, maakten ze ruzie, ook deze leadzanger, die in de toerbus continu scheten en boeren liet, is onderscheidend en waarschijnlijk mede daardoor bepaald geen teamplayer, en ook dit duurde kort.

Zijn hang naar mystiek, en zijn romantische wereldbeeld  ̶  veel Romantische dichters die terugverlangden naar de overzichtelijke wereld van de Middeleeuwen bekeerden zich tot het rooms-katholicisme  ̶  zorgden er waarschijnlijk voor dat ik als katholiek vrij gemakkelijk aansluiting vond bij zijn belevingswereld. Nou was het natuurlijk ook zo dat Them populair was in Nederland en Van Morrison en Piet Veerman (The Cats) via soul muzikaal aan elkaar verwant waren. Het door Bert Berns geschreven en door hem voor Solomon Burke in 1964 geproduceerde Goodbye, baby goodbye stond zowel op het debuutalbum van Van Morrison als op dat van The Cats. Hier ligt een mogelijke link. De in Ierse folk gewortelde 3JS stolen mijn hart toen zij tijdens hun Kamers van Mijn Hart (2009) theatertoer een puike Star Of The County Down ten beste gaven. Zouden ze Irish Heartbeat (1988) van Van Morrison & The Chieftains met aanvullend nog wat Ierse folkmuziek niet eens kunnen uitvoeren? Maar dat zal geenzins eenvoudig zijn. Want wie neemt bijvoorbeeld dat ten hemelschreiende intro van My Lagan Love op die tin whistle voor zijn of haar rekening? Misschien kan een saillant detail de 3JS over de streep trekken: de rhythm & blues club in de Maritime Hotel in Belfast, waar Them (featuring Van Morrison) op 10 april 1964 debuteerde, werd gerund door drie ondernemers die gezamenlijk bekendstonden als de 3JS (Rogan, p. 84 e.v.). Van Morrison & Candy Dulfer (met Piet Veerman, Jaap Veerman (Corn) en de 3JS als special guests) in een uitverkocht FC Volendam Stadion zou toch ook wat zijn. Vooraf en aansluitend jammen in jazzclub Mahogany Hall. Wat kan zoiets nou kosten?

In zijn begintijd werd Van Morrisons podiumpresentatie omschreven als ‘animalistic sexual’. Ik kan mijzelf er van alles bij voorstellen. Net als The Beatles leerde hij het vak door in Duitsland op te treden voor Amerikaanse soldaten. Van een zwarte GI leerde hij Stormy Monday van Bobby Bland. Een game-changer zo bleek. Vooral door hem is mijn huidige muziekcollectie, muziekgeheugen en muzieksmaak voor 33% van zwarte origine. In Carré heb ik hem midden jaren tachtig drie (inclusief één keer met The Chieftains) keer live gezien. Van Morrison deed als strenge dirigent en energieke frontman van zijn tienkoppige Caledonia Soul Orchestra op It’s Too Late To Stop Now (1973) sterk aan James Brown denken. Ook altsaxofoniste Candy Dulfer die met hem samenspeelde en hem ooit interviewde (zie youtube) maakte die vergelijking. Tijdens het al genoemde The Last Waltz (1976) bepaalde Van The Man hoelang Caravan ging duren, en zeker Robbie Robertson niet. ‘A Grimy Cinderella in a Purple Stage Suit’ aldus Greil Marcus in zijn Listening to Van Morrison. Waar had hij dat pak, dat alleen goed staat als je Freddie Mercury heet, in vredesnaam vandaan? What was he thinking? Greil Marcus citeert mede-gast Dr. John, die hij omschrijft als iemand die in 1957 voor het laatst ergens door geïmponeerd was geweest: “To me, Van Morrison got the most house, (…)”. Terwijl het affiche er toch niet om loog. Deze performance (zie youtube) is typerend voor hem. Wanneer hij ‘turn on your raadio’ zingt gebeurt er iets. Fysiek is hij er, maar tegelijkertijd is hij ook ergens anders, want op zoek naar iets dat diep in hem zit. Dat had ik als kind dus ook als ik op de koptelefoon naar hem luisterde: volledig van de wereld. De overtuiging dat muziek overgave betekent nam ik van hem over en heeft mij nooit meer verlaten.

Ik meen mij te kunnen herinneren dat ik, op mijn veertiende, tijdens het omkleden met mijn vrienden na of voor een zaalvoetbalpotje in sporthal de Blokgouw, dacht ‘ik heb een schat (het album Astral Weeks) ontdekt en ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen’: ‘To be born again / In another world (2X) / In another time / Got a home on high / Ain’t nothing but a stranger in this world’ (titeltrack Astral Weeks). De los klinkende laidback begeleiding komt van topjazzmuzikanten  ̶  meestergitarist Jay Berliner speelde op het legendarische The Black Saint And the Sinner Lady (1963) an Charles Mingus (die in 1964 trouwens ook een album genaamd Astral Weeks uitbracht)  ̶ , terwijl die fluit, de clavecimbel en de strijkers het qua sfeer tegelijkertijd ook iets klassiek kamermuziekachtigs geven. Vocaal trekt hij alles uit de kast, hetgeen niet gering is, en daarom ook krijgt hij van zijn muzikale begeleiders alle ruimte. Feitelijk improviseerden de andere muzikanten bij de iets eerder, in een andere ruimte gemaakte opnames van zijn door zijn eigen akoestische gitaar begeleidde stem. Volgens Van Morrison zijn vrijwel alle zelfgecomponeerde tracks van Astral Weeks gebaseerd op een twelve-bar blues (UNCUT, januari 2019, p.62). Iedereen die iets weet van jazz, weet dat dit niets zegt over de complexiteit ervan.  Astral Weeks legde het fundament voor mijn latere liefde voor jazz. Van Morrison klinkt vaak als een mysticus die een puur gevoel onder woorden tracht te brengen, waardoor zijn teksten vaak ondoorgrondelijk blijven. Waar en wanneer Van Morrison een rusteloze zoeker bleef, bepaalde dat de kracht van zijn naar elke maatstaf indrukwekkende zelfgecomponeerde oeuvre. Dat ik net als hij qua kunstbeleving een romanticus ben die op zoek is naar het ongrijpbare staat wel vast. Na Astral Weeks (1968) blijft mijn favoriet Veedon Fleece (1974), waar hij op zoek lijkt naar iets als het Gulden Vlies. “Poetry is the spontaneous overflow of powerful feelings”, aldus de door Van Morrison vaak aangehaalde Britse romantische dichter William Wordsworth. Deimpressionistische, stream of consciousness-teksten van Astral Weeks, het met afstand belangrijkste album uit mijn jeugd, vormen hoogtepunten. Hetin een tragische toonsoort staande Slim Slow Slider,waarin de wegstervende fluit waar het lied mee eindigt, het sterven van de vrouw waarover hij zingt lijkt te symboliseren, het grijpt mij nog altijd naar de keel. Als er iets is wat zijn muziek voor mij kenmerkt, is het dat er altijd een diep verlangen in doorklinkt. Naar zijn jeugd in Belfast (Cypress Avenue, Madame George en Got To Go Back (No Guru, No Method, No Teacher). In laatstgenoemd nummer wordt zijn heimwee haast tastbaar: ‘Keep me away from port or whisky / Don’t play anything sentimental, ‘cause you make me cry’); naar Ierland (Veedon Fleece, Cry For Home, Irish Heartbeat); naar een verenigd, voorchristelijk Keltisch Ierland (Celtic Ray, Tír na nÓg) dan wel Groot-Brittanië (Summertime in England); naar eenwording met God (If I Ever Needed Someone, When Will I Ever Learn To Live In God). Ook op het podium was deze Uno Mystica altijd het uiteindelijke doel. En ja, om dat proces alvast op gang te brengen, dronk hij in zijn Them-jaren vooraf weleens een borreltje teveel. Het zij hem vergeven.

Tenslotte weer terug naar de vraag die ik in het begin van mijn artikel stelde: Wat zegt mijn liefde voor zijn muziek over mij? Allereerst dat ik ook een zoeker was (en misschien ook nog wel ben, hoewel de filosofie mij inmiddels veel antwoorden heeft verschaft). En altijd gaat er een zekere urgentie vanuit, je hoort dat er iets op het spel staat. Waarschijnlijk mede door hem ben en blijf ik in mijn kunstbeschouwing zoals gezegd deels een romanticus (in de filosofische betekenis van het woord). Verder was ik (vooral tijdens mijn jeugd) net als Van Morrison receptief, gevoelig en vrij introvert. Natuurlijk heb ik  ̶  zoals wij allemaal hopelijk, uiteindelijk immers een louterende, perspectief verschaffende  ervaring  ̶ , mijn portie liefdesverdriet gehad, en Van Morrison hielp mij bij het verwerken daarvan. Ik kom altijd weer bij hem terecht. Hij leerde mij dat de menselijke stem het mooiste instrument is. De door hem vaak aangehaalde Ierse schrijver James Joyce, zelf een zanger van professioneel niveau: ‘Ik hou niet van muziek, ik hou van zang.’ Met Van Morrison begon  mijn interesse in (dicht)kunst. Ik wilde de poëten (bijv. John Donne, William Blake, de Engelse Romantici, Oscar Wilde, T.S. Elliot) waar hij over zong leren kennen. Misschien was ik ook wel op zoek naar het Gulden Vlies. Wie weet? Een van de tragedies van het leven moet het besef zijn op dit soort vragen nooit een bevredigend, afdoende antwoord te zullen vinden. Dat ik een afkeer van de commercie heb die vooral in de jaren tachtig via MTV opkwam, en dat ik de muziekindustrie wantrouw, kan ik ook niet los zien van Van Morrison. Op Candy Dulfers (zie www.youtube.com) vraag wat hij anders zou doen als hij het over mocht doen, antwoordde hij dat hij beter zijn best zou doen om niet beroemd te worden.Hoewel zijn roem hem uiteindelijk natuurlijk ook in staat stelt om te doen wat hij wil, snap ik heel goed wat hij bedoelt. ‘To be born again / In another world (2X) / In another time / Got a home on high / Ain’t nothing but a stranger in this world’ (Astral Weeks).

Deze tekst verscheen eerder in Cultureel Opinieblad 2Rewind jaargang 5 – 2018

0 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Katy Kirby – ‘Cool Dry Place’

Tijdens een heftige regenbui dit voorjaar ontdekte Roy de Smet deze fijne Cool Dry Place. In 28 minuten en een paar seconden komen de meest uiteenlopende onderwerpen voorbij, verspreid over 9 liedjes. Katy Kirby verovert je hart met haar aanstekelijke popmelodieën, poëtische teksten en loepzuivere kopstem.