Uitzeilende botters (1915-1919), Maurice Sijs, tempera, 51 x 85cm (Collectie Art Hotel Spaander)

Waarschijnlijk kent Volendam geen Maurice Sijsstraat omdat Veurman in zijn Volendammer Schilderboek (1971) onterecht geen melding van deze schilder maakte. Sijs werd, tijdens een vijftal gemeenteraadsbesluiten van 23 januari 1973 tot en met 26 mei 1974 (Anthonie P. Schotel) waarmee de straatnamen voor onze schilders-wijk werden vastgesteld, wederom over het hoofd gezien. En dat terwijl de Vlaamse, academisch geschoolde Sijs (1880-1972) veel werk over Volendam maakte, dat ook nog eens van heel hoog niveau is, en soms ook nog van extra historisch belang. Zie zijn twee tempera’s over de watersnood van 13 en 14 januari 1916 (beiden Collectie Zuiderzeemuseum). Bovendien woonde en werkte Sijs van 1915 tot juli 1919 vrijwel continu op Volendam. Vervolgens vertrok hij naar Dordrecht waar hij tot medio augustus 1923 verbleef. Hij verdiende met schilderen goed zijn brood.

Gedurende deze periode werd zijn vriendschap met Anthonie Pieter Schotel (1890-1958) hechter. Schotel leerde van Sijs de oudere tempera techniek met het sneller drogende eigeel als bindmiddel. Ook in Schotels kleurgebruik, met name dus in die tempera’s – die vanwege het snelle drogen en directe dekking voor en plein air geschilderd lucht en licht een ideale techniek bleek die bovendien een bijzonder heldere, groen-grijs-blauwe kleur geeft – was Sijs een inspiratiebron. Over het algemeen werd Schotels kleurenpalet door Sijs zuidelijker en dus lichter, met veel nuances in wit, geel en blauw, aldus Carole Denninger in haar A.P. Schotel, De wereld van het water, p. 39. Soms ook met de van het neo-impressionisme bekende kleine streepjes die Sijs ook gebruikte.

Sijs bezocht Hotel Spaander in 1906 en in 1910. In januari 1916 verbleef hij in het pension van Frits Veldhuizen aan de Edammerweg 8, later Geschenkenhuis Jozef Tol nu Dreamstyle. Ook de Volendamse haven deed hij met zijn tot woonboot verbouwde visserssloep ’t Nest aan. In november 1918 verscheen in het weekblad Wereldkroniek van de hand van Ant. W. Wilten een zeer lovend artikel over Sijs. Daaruit bleek ook dat hij destijds beschikte over een ruime visserswoning inclusief atelier met uitzicht op de haven van Volendam. Omdat er een foto bestaat (zie Volendam Schildersdorp 1880 – 1940, p.41) van Sijs en zijn echtgenote die van daaruit over de haven uitkijken, én omdat dit pand ook door voornoemde Frits Veldhuizen werd verhuurd, lijkt het hier te gaan om Haven 100. Volgens zijn biograaf Guido Sijs heeft hij daar jaren gewoond. Op een gegeven moment werd dit pand door Georg Hering gekocht, en nu is kledingzaak Chaos er gevestigd. Klaas Steur (1905 -1985) woonde er overigens, in ieder geval vóór Sijs, een deel van zijn jeugd ook.

Behalve Volendam zaten ook zeilen en varen bij Maurice Sijs in het bloed. ‘Proever van de zee, zanger van het zonlicht’, noemde zijn ‘kleinneef’ en chroniqueur Guido Sijs hem in de door hem samen met Jos Murez geschreven biografie uit 1980. Maurice Sijs wist hoe een zeilende botter in het water lag. Hij was niet bij de waterkant weg te slaan. Zijn kunstbroeders noemden hem de waterrat. Vanuit kunsthistorisch oogpunt wordt hij meestal ondergebracht bij het luminisme (term uit 1904), ook wel het Vlaams impressionisme of het academisch impressionisme genoemd. De Belgische neo-impressionisten Emile Claus (1849-1924) en Théo van Rysselberghe (1862-1926) (zie verder bij Haven vanuit Hotel Van Diepen hierna), worden wel gezien als de vaders van dit luminisme, een stroming die academische, realistische en impressionistische kenmerken met elkaar trachtte te verenigen, en daarom ook verwant is aan het neo-impressionisme van bijvoorbeeld Signac (1863-1935). Sijs was geen modernist zoals Piet Van Der Hem, en veel meer een purist dan Willy Sluiter. Voor Sijs bleef vooral voornoemde Emile Claus van belang, al was eerstgenoemde minder kleurdronken en had hij en meer harmoniërend koloriet (kleurstelling). Jos Murez in Maurice Sijs, p.35: ‘zijn koloriet schittert door een briljant kleurenvuurwerk, maar is bedwongen, getemperd, afgestemd op de weerspiegeling van de doorgaans bewolkte hemels van de Lage Landen.’ Terwijl Tholen (zie hierna) een tonalist was, beheerste Sijs beide métiers (tonalist en kolorist). De analogie met harmonieuze dan wel contrasterende wijn-spijs combinaties gaat niet helemaal op maar kan wel verhelderend werken. Deze tempera hangt helemaal achter in de semi-personeelsgang die rechts in de herberg van Hotel Spaander begint. Aan de linkerkant, net voor de rechterafslag richting de Markerzaal dus.

De luministen waren net als de neo-impressionisten verzot op lichteffecten. Uitzeilende vissersvloot te Volendam (winter) is een zeldzaam mooi werk, en daarvan een duidelijk voorbeeld. Ondanks de dichte mist in de verte, worden de zeilen van de wegvarende botters in het water van de haven weerspiegeld. Aan de stand van de zon lijkt het een uur of vier in de middag te zijn. Waarschijnlijk waren ze hier in het midden van de week even thuis geweest. Op Uitzeilende botters valt natuurlijk op dat het grootzeil van de VD82 wit is en dat van de VD161 rood. Dat witte zeil werd eerst ingezeild tot het de goede rek te pakken had en pas dan werd het geverfd. Dat het soms een gehele schilderscarrière kostte om jezelf te bekwamen in het schilderen van een botter, blijkt wel uit het feit dat er bij Anthonie Pieter Schotel (1890-1958) – ‘Ik wil den botter volkomen in mijn macht zien te krijgen’ was het voornemen waarmee hij in september 1925 naar Volendam verhuisde  – in zijn vroege werk soms nog weleens een kleine onvolkomenheid binnensloop. Jan Stroek heeft Tholen en Sijs – die qua thematiek ook allrounder was dan Schotel – daar nooit op kunnen betrappen. De échte specialiteit van Schotel was dan ook de zee zelf.

Beperkte carrièrekeuze
Kan ik uit het feit dat het enige wat ik vroeger nog weleens probeerde te tekenen een botter was, misschien de professie afleiden die ik zou hebben gekozen als ik honderd jaar geleden zou zijn geboren, en in 1880 dus twaalf was geworden? Een van mijn favoriete Franse romans blijft Le Rouge et le Noir (1830) van Stendhal. De titel staat voor mij ook symbool voor de beperkte carrièrekeuze van de hoofdpersoon, Julien Sorel, in de twintiger jaren van de negentiende eeuw. Vanwege de kleur van de daar gedragen kleding staat het rood voor het leger en het zwart voor de kerk. Voor een twaalfjarige Volendammer jongen was die keuze vijftig jaar later in 1880 nog minstens net zo beperkt: de zee of de kerk. Ik schat in dat ik dan, anders dan Klaas Steur, voor de zee zou hebben gekozen. Want hoewel ik absoluut een boekenwurm ben, blijft het celibaat een groot offer. En volstrekt onnatuurlijk bovendien. Een onnatuurlijkheid die zich ook des te sterker doet gevoelen wanneer je een meisje als Hille Kwakman hebt ontmoet. Een getrouwde boekenwurm zijn was voor een Volendammer jongen destijds vrijwel geen optie. Dan word ik net als Hille Butter (1891-1968) maar een autodidact. Misschien kan ik ook wel een spaarregeling treffen bij boekhandel Simons.

Maar in een houten vissersboot het havengat uitvaren was natuurlijk wel een broodwinning die niet zonder risico was. Zeker als je niet onder de Waddeneilanden bleef en dus verder noordelijk de Noordzee op ging. Op basis van een overzicht uit 1911 voeren op dit schilderij van Sijs Kees Tuijp (Okke) van de VD82, Jan Waaijer van de VD161 en C. (Kees) Hansen (De Kruut) van de VD133. De VD82 en de VD161 varen hier gezamenlijk het havengat uit. Dat Volendammer vissers elkaar in de gaten hielden, blijkt uit een prachtige Volendammer bijnaam die in dit kader geen nadere toelichting blieft: ‘De Duistere’. Hoewel daar geen enkel bewijs voor aan te voeren valt, heb ik mezelf altijd afgevraagd of de spreekwoordelijke Volendamse wedijver op elk gebied – zoals in de inleiding al aangegeven ook de sfeer die vooral het refrein Hoger, Harder, Verder van 3js oproept – zijn oorzaak zou kunnen vinden in het feit dat de uiteindelijke prestaties van vissers voor iedereen zichtbaar waren en zich eenvoudig lieten vergelijken[1]. De beste schipper ooit schijnt Kees Cook geweest te zijn. Hoewel concurrentie doorgaans prestaties verbetert, kan het ook tot improductieve uitwassen leiden, én tot bovenmatige stress, die sommigen dan met alle mogelijke middelen weer trachten te bestrijden. Een probleemstelling die een aparte, essayistische analyse waard is.

Als Noordzeevisser zou ik in ieder geval wél de gouden tijd van 1880-1895 hebben meegemaakt. De wijdverbreide mythe (en het gehaaide verkoopverhaal) dat Volendam altijd straatsteenarm is geweest, hebben Piet en Evert Koning in hun toepasselijk getitelde culturele schatkist Waarheid en Roddel (2002) (p. 43 e.v.) behoorlijk genuanceerd. Tachtig procent van de Volendammers had van 1820 tot 1930 meer geld dan ze op konden maken. Twintig procent leefde onder de armoedegrens. Net als Piet Koning vind ik dat dit ook anders had gekund. Een deel van ondernemersrisico (downside risk) wel afwentelen op een knecht zonder hem het recht te geven op een deel van het upward potential is, om het maar even voorzichtig uit te drukken, niet hun bij mij meest favoriete gebruik. Toch scheen het volgens Piet Koning in die tijd usance te zijn geweest. De schipper zelf verdiende dus goed zijn brood maar de strijd met de grillige natuur was, zoals gezegd, niet zonder gevaar. Zo had de Volendammer kwak een laag achtersteven, zodat het sleepnet makkelijker vanuit het water de botter in getrokken kon worden. Tijdens een storm kwam er via die weg echter al snel teveel water binnen met als risico dat de botter onbestuurbaar werd. Tijdens de ramp van vrijdag 27 maart 1896 bleek dit fataal. Tot 01-01-01 de grootste ramp uit onze historie. Zeven vissers verdronken en de Volendammers besloten uiteindelijk om de Noordzee de rug toe te keren. Het risico nam ook alleen maar toe doordat ze vanwege de concurrentie van Engelse gemotoriseerde trawlers voor een goede vangst steeds verder weg moesten. Soms wel tot de oostelijk van Noord-Engeland gelegen Doggersbank.

Vrijdag 27 maart 1896
In 1896 had ik als achtentwintigjarige – Volendam telde met schippers en knechten destijds circa zevenhonderdvijftig botterlui – dus ook het leven op zee kunnen laten. In mijn fantasie (zie tekst Schilderij 2: Portret van Hille Kwakman) zou mijn Hilletje – die in werkelijkheid in 1896 een meisje was – dan tot armoede zijn veroordeeld. Om het hoofd boven water te houden had zij dan net als mijn ootje van vaderskant, Neel Tuyp (die als ongetrouwde vrouw bij café de Groene werkte), een winkeltje moeten beginnen. Of ze moest ‘weer’ bij Spaander gaan werken natuurlijk, maar met kinderen zou dat geen optie zijn geweest.

Over storm op zee gesproken. De Engelse romantische zeeschilder J.M.W. Turner (1775-1851) liet zich ooit aan een scheepsmast vastbinden om te zien hoe een storm eruitzag. Dit sublieme gezicht van de natuur vormt het onderwerp van vrijwel elk schilderij van Turner. Gelukkig heeft de natuur naast een subliem gezicht ook een schoon gezicht. Los van alle voordelen die wij op onze voorouders hebben, blijft er één groot nadeel waarvan wij ons nooit écht zullen realiseren – wij weten immers niet beter – welke consequenties dat uiteindelijk heeft gehad, nog heeft, en zal blijven hebben: het contact dat wij met de natuur hebben blijft beperkt tot ons aangeharkte voortuintje; als dat al niet van gewapend beton is. Dan is de kijk er immers af. Nog maar honderd jaar geleden waren wij volbloed natuurmensen! ‘Voor sommige mensen is de kust het einde van het land, voor anderen het begin van de wereld’, aldus oud-onderzeebootcommandant en oud-premier Piet de Jong. Wij weten niet meer hoe overweldigend stil een blakke, spiegelgladde zee kan zijn. Bevroren komt in de buurt. Weten wij nog uit welke hoek de wind waait, en wat dat op het IJsselmeer vervolgens betekent? Deze kennis was vroeger van levensbelang. De beste Volendamse weerman was Schipper Bruin van Jijpert. Vissers bleven graag bij hem in de buurt (zie Schipper op, Schipper af, p.27.)

Want welke Volendammer kan nog uitleggen waar de in straatnamen vereeuwigde begrippen Abbert, Hoornse Hop, Steile Bank en Vrouwenzand voor staan? Cor Keijzer van visgroothandel VD119, waar mijn schoonvader Jan Waai zaliger (1949 – 2010) zich de laatste tien jaar van zijn leven als een vis in het water voelde, gaat naar Urk via Amsterdam omdat hij vol schiet als hij over de dijk tussen Enkhuizen en Lelystad rijdt. Heimwee naar een zee, die ondanks al die ontmoedigende, bemoeizuchtige Europese regelgeving onherroepelijk blijft trekken. Kán ik dat als gestropdaste-witteboorden-man eigenlijk wel begrijpen? Op Have You In My Wilderness (2015) van de Amerikaanse singer-songwriter Julia Holter staat het hemelse Sea Calls Me Home (zie You-Tube voor de officiële clip). Het lijkt te gaan over het achterlaten van de dingen die je gevangen houden, en over het soms angstige wonder van het ontdekken van je vrijheid. De zee staat voor die vrijheid. Holter zingt herhaaldelijk dat ze niet kan zwemmen. Ze durft haar vrijheid niet te benutten lijkt ze daarmee te willen zeggen. De zee kan ook staan voor de natuur. Zelfs voor de natuur in haarzelf. Want de Westerse, verlichte, gerationaliseerde mens heeft dat deel in zichzelf dat hem met de natuur verbindt, dat deel dat maakt dat hij zich altijd in die natuur kan verliezen om diezelfde natuur te kunnen overheersen, uit zichzelf weg moeten snijden, aldus de tijdens de Tweede Wereldoorlog naar de Verenigde Staten uitgeweken cultuurfilosofen Theodor Adorno (1903-1969) en Max Horkheimer (1895-1973) in hun Dialectiek van de Verlichting (1944). Waarschijnlijk het meest pessimistische boek over de Westerse beschaving ooit geschreven.

De Westerse mens is bang voor de natuur in hem, en nog meer voor die in haar. Seksueel bepaald geen vliegende start. Alleen technologisch zijn we echt vooruitgegaan. En dat tegen een hele hoge prijs. De archetypische Westerse held, de Griekse Odysseus, die ook de Sirenen zou weerstaan omdat hij zich, net als Turner veel later, aan de mast vast liet binden, besliep tovenares Circe pas nadat hij haar de eed had afgedwongen dat zij hem niet in een varken zou veranderen. Zijn onderbewuste angst was mogelijk dat deze paringsdaad an sich hem in een varken zou kunnen veranderen. Er zijn inderdaad wel gekkere dingen gebeurd. De Engelse prerafaëliet John William Waterhouse (1849-1917) wijdde in 1891 (Gallery Oldham, Charles Lees Collection, Lancashire) een eerste van in totaal drie schilderijen aan deze mythe. In de daarin afgebeelde scène biedt Circe Odysseus allereerst een toverdrank aan. Pas nadat duidelijk wordt dat deze niet werkt, probeert ze hem te verleiden.

Maurice Sijsplein
Nog even iets over die straatnamen. Volendam kent zeventien straten die zijn vernoemd naar kunstschilders, één straat vernoemd naar een politiek illustrator, Jo Spier (illustraties in F. Thomas’ Een dorp wordt prijsgegeven, (1938)), en een naar Leendert Spaander zelf. Veurman noemt ze allemaal; in totaal negentwintig schilders en tekenaars. De gemeenteraad lijkt bij haar keuze dus afgegaan te zijn op het oordeel van Veurman. Als de basisschool Zuidwester verdwijnt en de kans bestaat dat er daar nog een straatnaam nodig is, zou Maurice Sijsplein, zo rechts van de Jan Sluiterstraat best goed staan. Een overzichtstentoonstelling van Maurice Sijs’werk in Volendam is iets wat wij deze kunstenaar minimaal verschuldigd zijn. Misschien hangen er alleen in Volendam al her en der genoeg werken om hier Sijs nu eens zelf goed in het zonnetje te zetten. Tot die eigen straatnaam er is, zou het alvast iets goedmaken.


[1] In Eens ging de zee hier tekeer (2020) van Eva Vriend worden vier vissersdorpen (Urk, Wieringen, Volendam en Spakenburg) met elkaar vergeleken. Hieruit lijkt inderdaad de conclusie te kunnen worden getrokken dat deze concurrentiedrang afkomstig is uit de visserij.  

___________________________________________________________________________________________________

Dit deel is eerder gepubliceerd in Cultureel Magazine 2Rewind 2015

14 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Oktober kunstmaand: Hayo Riemersma

Oktober is kunstmaand in de gemeente Edam-Volendam. Speciaal voor deze gelegenheid interviewt de jongerenredactie van enClave iedere week een aantal prominente kunstenaars dat actief is in de gemeente. Deze week interviewt Lieke Pannekeet kunstenaar (en kunsthistoricus) Hayo Riemersma.
Lees verhaal

[ WINACTIE ]

Like, reageer en maak kans op enClave Cultureel Opinieblad, en Hemingways geroemde boek over Parijs getiteld "A Moveable Feast"!
Lees verhaal

Berlijn is meer dan worst, bier en de muur

Op het eerste oog is Berlijn een ruige stad met veel geschiedenis en niets is minder waar. Maar wat veel mensen niet weten is dat de stad veel verborgen parels bevat welke niet op iedere website aangeschreven staan.