I Inleiding

Waaruit bestaat eigenlijk die schat, geschonken door de kunstschilders die vanaf 1881 onder meer in Hotel Spaander neerstreken? Mijns inziens niet uit het feit dat overal ter wereld – zoals in Amsterdam, Den Haag, Brussel, Edinburgh, Londen, Parijs, Madrid, Valencia, Buenos Aires, Washington D.C., San Francisco en Bombay – mensen worden geraakt door dagelijkse taferelen uit ons dorp anno 1900. Of uit het op zichzelf staande feit, er bestaan namelijk vrijwel geen kleurenfoto’s uit deze periode, dat deze kunstschilders ons verleden letterlijk van kleur hebben voorzien. Veeleer denk ik aan de innerlijke rijkdom die erin schuilt voor ons Volendammers. De Vlaamse cultuurfilosoof Lieven De Cauter parafraseerde de Duits-Joodse cultuurfilosoof en -criticus Walter Benjamin (1892-1940) in zijn proefschrift (1999) over laatstgenoemde als volgt: Het dagelijks leven (vet, MT) van een zedelijke gemeenschap is religieus getekend, of beter: religiositeit is niets anders dan de vorm waarin overdracht en aanleren van moraliteit zich afspelen in een gemeenschap’ (…) en iets verder: ‘de religie vormt de samenbindende kracht van een opvoedingsgemeenschap en de concretisering van die religiositeit is juist de overdraagbaarheid van ervaringen en waarden in die gemeenschap. Deze wellicht wat reductionistische visie op religiositeit, die vooral uit de eerste zin spreekt, en waar ik het niet geheel mee eens kan zijn, illustreert echter wel voorbeeldig mijn voornoemde standpunt. Want juist dat dagelijkse leven hebben ‘onze’ schilders in hun genrestukken in elk facet proberen vast te leggen.
In navolging van deze schilders en Walter Benjamin wil ik het mogelijk vergeten leed en de niet-vervulde verwachtingen van onze voorouders in herinnering brengen. Dit essay mag dan ook als een eerbetoon aan deze schilders en aan die voorouders, waaronder Hille Kwakman, worden gelezen. Daarnaast is het een poging om de Volendammer schilderstukken uit deze periode, of althans een door mij gekozen deel daarvan, wat meer in het perspectief van de Westerse kunstgeschiedenis te plaatsen.
Het woord religie komt van het Latijnse religare: verbinden. De kans dat er over twintig jaar nog minder mensen in de Hoogmis zitten dan nu is aanzienlijk. Deze binding komt dus niet meer vanzelf tot stand. Willen wij nog moeite doen om cultureel verbonden en solidair te blijven met onze voorouders en daarmee direct ook met elkaar? Of bestaat er tussen wat eerstgenoemden wisten en wij zijn vergeten, en wat wij weten en zij nooit hebben kunnen weten, inmiddels al een onoverbrugbare kloof? Zou er van betreffende schilderijen een werking kunnen uitgaan waarin onze opvoeding niet meer voorziet, en die ons in staat stelt deze kloof te overbruggen?

Allereerst iets over de schilders die ons in beeld brachten. Vanaf 1889 begonnen in groepjes reizende Amerikanen de boventoon te voeren, maar in eerste instantie waren het opvallend veel Britse kunstschilders die tussen 1875 en 1900 naar Volendam kwamen. Zij verwonderden zich over het feit dat de door hun voorouders begonnen industriële revolutie aan de overkant van de Noordzee geen enkele invloed leek te hebben gehad. Klederdracht kende men in Engeland vrijwel niet. De Angelsaksische schilders bewonderden de schilders van de Haagse School welke, in navolging van de wereldvermaarde Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw – die twee van de invloedrijkste Westerse schilders ooit leverden – hun onderwerpen zo realistisch mogelijk in beeld wilden brengen. Het kolossale én monumentale Langs moeders graf (1856, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam) van prominent Haagse Schoollid Jozef Israëls (1824-1911) is zowel een mijlpaal binnen zijn eigen oeuvre als binnen het Nederlandse vissersgenre. De Bomschuit (1878, Collectie Haags Gemeentemuseum, Den Haag) van Jacob Maris is misschien zelfs wel het beroemdste Haagse School werk. Zeker tot 1907 heeft de vanaf 1860 opkomende Haagse School (term uit 1875) dus meer invloed op de schilderstijl van de in Volendam werkende kunstenaars gehad dan het vanaf de eerste Salon des Refusés (1863) (mét de Nederlandse Jongkind maar nog zonder Monet) opkomende Franse impressionisme.
Zij die het vissersleven in Volendam vereeuwigden, hielden zich dus niet primair bezig met dat vanuit een bepaalde optiek toch wat frivole impressionistische spel van kleur en licht binnen dat even zo frivole als moderne, mondaine stadsleven. De postimpressionisten pakten deze laatste kritiek midden jaren tachtig van de negentiende eeuw op. De schilders van de Haagse School hielden de moderniteit bewust buiten hun werk. En ze hielden zielsveel van de in Nederland zo vaak grijze luchten. ‘Ik mag lijden dat het morgen grijs is’, zou kunstschilder Jan Veth (1864- 1925) hebben gezegd.
De enige nu nog mogelijke ervaring die zich enigszins laat vergelijken met de cultuurschok die ‘onze’ schilders ruim honderd jaar geleden moeten hebben gevoeld, is een bezoek aan de overwegend in het Amerikaanse Pennsylvania levende Amish. Een Westerse samenleving waar de tijd nog steeds stilstaat. Want uiteindelijk kreeg de moderniteit dus wel vat op Volendam. De aanleg van de Afsluitdijk vormde in 1932 een belangrijk keerpunt. Binnen amper drie generaties heeft de moderniteit ons rigoureus van ons vier eeuwen oude visserijverleden afgesneden. Ook de schilders gingen weg.

Het leven imiteert de kunst
Friedrich Nietzsche (1844-1900) vergeleek de moderniteit met een zichzelf versnellende val in de ruimte. De hedendaagse Duitse filosoof Peter Sloterdijk maakt zich in zijn Die schrecklichen Kinder der Neuzeit (2014) zorgen over de traditieloze kinderen die dit zonder omkijken op de toekomst gerichte moderniteitsdenken oplevert. Waar gaan zij houvast zoeken op dat reflectiemoment dat zonder twijfel ooit eens komt? Maar bezitten onze kinderen, dankzij de schilders die ons vroegere geboortedorp hebben vastgelegd, hier geen natuurlijk voordeel? In potentie is dit identiteit-verschaffende houvast immers voor handen? Mijn twee peuters hangen als echtpaar in klederdracht aan de muur (zie ook foto 1). Ze vinden het prachtig als ik ze optil om er samen naar te kijken. Zonder een diep, doorwrocht besef van waar je vandaan komt, is het toch onmogelijk te weten waar je naartoe moet? ‘Men is wie men is, maar men is meer wie men is indien men wilt zijn die men is’ aldus onze eigen prof. Klaas Steur (1905-1985) (zie foto 4), door Piet en Evert Koning terecht en op onnavolgbare wijze geëerd in het zowel humoristische als ontroerende Schipper Op, Schipper Af (2005).


In Ridley Scotts Blade Runner (1982) onderscheidt de mens zich door zijn vermogen tot herinnering van de Android. De ziekte van Alzheimer is zo ingrijpend omdat met de herinneringen ook de identiteit verloren gaat. Dit verschijnsel kan zich ook op collectief niveau voordoen. Zouden die onverschrokken vissers en hun fiere vrouwen net zo trots zijn op ons als ik op hen? Stel dat zij aan gene zijde de film ‘Volendam anno 2015’ zien. Vinden zij dan dat wij het waardevolle van de door hen aan ons doorgegeven cultuur hebben bewaard, en dat ons historisch besef voldoende is ontwikkeld? De indringende documentaire Amish – A Secret Life maakte mij duidelijk hoe rijk een eenvoudig leven kan zijn. Onbegrensde aandacht voor de eigen kinderen en geen interesse voor materiële zaken. Zoals zo vaak gaat deze vergelijking deels mank. Amish zijn mennonitische, orthodoxe christenen, terwijl wij erfgenamen zijn van een rijk rooms leven vol pracht en praal. Die Sixtijnse kapel en die Volendammer pronkkast spreken boekdelen. In de kern zijn wij eksters. En dat heeft ons ook voordeel gebracht. Dat onze klederdracht gedurende de negentiende eeuw voortdurend werd verfraaid is onze bekendheid hoogstwaarschijnlijk ten goede gekomen. En welke religie – die nota bene geest boven lichaam en taal dus boven beeld stelt – heeft zoveel schitterende kunst opgeleverd? Deels heeft dit laatste natuurlijk een pragmatische achtergrond: met beeld kun je ook analfabeten overtuigen. Joden waren vrij van bekeringsdrang.
Zelfs indien deze verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen, mag de vraag worden gesteld of het Volendammer consumentengedrag inmiddels niet iets teveel richting ‘conspiciuous consumption’ – opzichtige geldsmijterij – is doorgeslagen. Het getuigt toch van armoede als ik tien dorpsgenoten opnoem, en mede-dorpsgenoten kennen het bijpassende automerk? Typisch nouveau riche ook: de qua status wat onzekere, enthousiaste beginneling. De 3js zongen in Mijn Dorp (Watermensen, 2007) dat in het oude Volendam de blije ogen de armoede in bedwang hielden. Tegenwoordig lijken we, om maar even bij de 3js te blijven, vooral Hoger, Harder, Verder (Dromers & Dwazen, 2010) te willen. Moeten we het in dat verband niet eens hebben over het waarop, het waarmee en vooral het waartoe? Een gerechtvaardigde vraag is dan ook hoe oprechte, doorvoelde religiositeit, die, voor zover ik het kan beoordelen, behoorlijk is afgenomen, inwerkt op esthetische perceptie. Oftewel, hield de kerk deels soms ook de wansmaak in bedwang? Een genuanceerd antwoord op deze vraag is binnen het bestek van dit essay niet mogelijk. Ik zou de mening van bijzonder hoogleraar christendom, cultuur & media Antoine Bodar hierover weleens willen horen.
Voor wat betreft de historisch gezien wisselende verhouding tussen de kunst en het leven in het kader van deze bijdrage nog wat verduidelijkende voorbeelden. Zo beweerde de Ierse schrijver en estheet Oscar Wilde (1854-1899 dat het niet kunst is die het leven imiteert maar andersom. Een destijds vernieuwend, doch inmiddels ingeburgerd, standpunt. Een concreet voorbeeld van kunst die het leven beïnvloedt betreft de uitwerking die de schilders van de Haagse School hebben gehad op onze waardering van ons eigen Hollandse polderland. Veel van wat ons daarin ontroert danken wij aan hun gezichtspunt: imponerende Hollandse wolkenluchten in tegenlicht boven een wijds zich tot de einder uitstrekkend polderlandschap gevuld met molens en tevreden grazende, Fries-Hollandse koeien.

Volgens de Franse kunsttheoreticus André Malraux (1901- 1976), die onder Charles de Gaulle (1890-1970) minister van Cultuur was, draagt ieder mens een denkbeeldig museum met zich mee. Malraux opende in 1961 in Le Havre een prachtig kunstmuseum met een droom van een collectie. Het draagt sindsdien zijn naam. Een prominente zaal in mijn denkbeeldige museum zou mij er steeds weer aan moeten herinneren hoe mijn leven er uit zou kunnen hebben gezien als ik niet in 1968 maar in 1868 was geboren. De schilderijen die ik hierna behandel, en die een levenscyclus verbeelden, zouden daar een opvallende plaats moeten innemen. Hier vind ik, door mezelf te verliezen, bezinning. Misschien wel de belangrijkste functie van kunst. ‘In onze geseculariseerde wereld bevat kunst de laatste echo van een religieuze ervaring’, aldus de reeds aangehaalde cultuurfilosoof Lieven De Cauter. Ik kom in ieder geval altijd weer opgeladen naar buiten. En omdat ik dit museum in mezelf meedraag, keer ik er makkelijk weer terug, hetgeen voor een daadwerkelijke verinnerlijking van wezenlijk belang lijkt. Mijn identiteit is voor een aanzienlijk deel gefundeerd op hoe de schilders die hier werkten onze voorouders in beeld hebben gebracht. Met hen in mijn achterhoofd is elke verwaande graaf die mij tijdens een eventueel staatsbanket van mijn à propos tracht te brengen, volslagen kansloos. 

Immateriële erfgoed
Wij horen ons immateriële erfgoed te bewaken, zoals een leeuwin haar welpen. Is er niet al veel van de wijsheid, levenservaring en vaardigheden van onze voorouders definitief verloren gegaan in die maar voortrazende twintigste eeuw? Beheersen wij de vertelkunst nog zoals onze voorouders? Resteert er nog iets van de levenswijsheid en het psychologisch inzicht dat je verwerft na het grootbrengen van twaalf kinderen in een huisje van pak ‘m beet dertig vierkante meter? Wat dacht je waar ons aparte gevoel voor humor vandaan kwam? Stoïcisme, visserslatijn, misschien wel wat Joodse invloeden, en romantische ironie lijken mij in ieder geval belangrijke bestanddelen. Een prachtige casestudy voor een antropologische scriptie. Waar vonden zij verder de kracht en de wijsheid om door te gaan bij het overlijden van een kind – zie George Sherwood Hunters (1850- 1919) aangrijpende, realistisch geschilderde A Dutch Funeral (1887, Collectie Zuiderzeemuseum) – iets dat in die tijd haast elk gezin overkwam? Bestaat er groter leed? Hoe zetten deze ouders hun verdriet weer buiten de deur? Weten hoe zij hun, zeker in onze ogen, onmetelijke problemen oplosten, kan ons de kracht geven de onze het hoofd te bieden. Uit Piet Konings keuze voor zijn Meisje met bloempje (ca. 1920, Collectie Art Hotel Spaander) als cover voor zijn boek over Wilm Wouters (1887- 1957) leid ik af dat ook hij van mening is dat Wouters, wellicht zonder dit zelf te beseffen, ons hier een spiegel voorhoudt. We zijn op eigen kracht een muzikaal dorp gebleven, maar ook daar laat de wurggreep van het kapitalisme zich steeds sterker voelen. Onderwijs dient volgens haar allereerst beroepsgericht te zijn. Ook binnen de cultuurindustrie wordt alles gestript van mogelijk subversieve elementen om vervolgens in een prefab formule te worden gegoten: gerationaliseerd plezier noemt cultuurfilosoof Thijs Lijster dat. En uiteindelijk raakt die uitverkoop ons allemaal. Iets dat van ons samen is (onze goodwill), wordt omgezet in klinkende munt en verdwijnt in enkele zakken. Juist omdat het ons materieel goed gaat, kunnen wij spiritualiteit, creativiteit en artisticiteit toch wel eens wat meer ademruimte geven?

Fatsoenlijk voorstellen
Ter verklaring van mijn gepassioneerdheid in deze, en om mezelf ook maar eens fatsoenlijk voor te stellen, biedt het wellicht enig inzicht om twee stellingen die elkaar wederzijds lijken uit te sluiten, eens tegenover elkaar te zetten. Zo beweerde mijn vader zaliger (1942-2000) steevast dat ik met donder en bliksem was verwekt. Dit moet dan rond 21 augustus 1967 zijn geweest – hartje Summer Of Love, Scott McKenzie stond op nummer 1 in de top 40 met San Francisco (be sure to wear flowers in your hair). Mijn eigen visie is uiteraard anders. Volgens de diepzinnige taaltheorie van de al genoemde, overigens niet religieus praktiserende Walter Benjamin dragen ouders door het geven van een eigennaam hun kind aan God op. Omdat ik op 21 mei 1968 – Parijs was weer eens in grote beroering en Cliff Richard bekleedde met Congratulations de nummer 1 in de top 40, dit laatste toevallig neem ik aan – ter wereld kwam en vervolgens een Franse naam kreeg die ‘de strijdbare’ betekent, heb ik altijd het gevoel gehad dat er bij een eventuele cultuurstrijd iets extra’s van mij wordt verwacht. En ja, in mij woont onder andere een teleurgestelde hippie, die er ook niet meer uit wil. ‘Revoluties zijn ongelukkig maar nog ongelukkiger zijn mislukte revoluties’, zou de Duits-Joodse dichter Heinrich Heine (1797-1856) zeggen. Een zeker idealisme was mijn vader trouwens ook niet vreemd. Hij noemde mij tijdens zo’n principiële discussie eens ‘zo rood als een gekookte kreeft’ terwijl hij pertinent weigerde te zeggen waar hij op stemde. Dat vond hij privé. En dat vond ik destijds best wel een beetje gek. Want als econoom vond en vind ik dat je van Karl Marx (1818-1883) kunt zeggen wat je wilt, maar dat hij indertijd in ieder geval aan de goede kant stond, die van de arbeiders. Terwijl mijn vader bij ‘Smederij Steur’ als een informele belangenbehartiger van de factor arbeid opkwam toen de Wet op de Ondernemingsraden (1971) nog niet eens bestond. Was dat solidariteitsgevoel dan toch niet ongemerkt via de eigen paplepel naar binnen gegoten? Overigens beschouw ik vissers ook als arbeiders, al vormt een botter uiteraard kapitaal. Een reder, denk aan Heijermans toneelstuk Op hoop van zegen (1900), is weer een heel ander verhaal. Volendam had feitelijk geen reders.
Mijn voorkeur blijft trouwens uitgaan naar wetenschappelijke, culturele dan wel artistieke revoluties. Zoals die welke in de jaren zestig – alweer die jaren zestig! – van de negentiende eeuw opkwam in het Parijse café Guerbois, en die vanaf 1907 mede bepaalde hoe het Volendammer verleden in de beeldende kunst werd vastgelegd. Veel van de schilderijen over ons dorp komen dus uit een periode waarin de veranderingen in de kunsten adembenemend snel gingen; de manifesten en -ismen buitelden over elkaar heen. In 1907 vergrootte Jan Sluijters’ – niet te verwarren met ‘onze’ Jan ‘Willy’ Sluiter – bij zijn terugkeer uit Parijs de invloed van de Franse beeldende kunst in Nederland in aanzienlijke mate. Een vergelijking tussen zijn academische, in 1904 met de Prix de Rome bekroonde werk De profeet Elisa wekt de zoon der Sunamitische vrouw tot leven (1904, Collectie Drents Museum, Assen) en zijn experimentele Bal Tabarin (1907, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam) zegt meer dan woorden ooit zullen kunnen. De meeste van de door mij geselecteerde werken zijn ná 1907 geschilderd. Ik ben geen ekster maar ik ben op zijn tijd wel graag kleurdronken. Van dit eerste deel komt alleen Willem Maris Jacobszoons St. Maarten in Volendam uit 1907. Het zogenoemde fin-de-siècle, dat overigens loopt tot het begin van de Eerste Wereldoorlog, geldt als een onvergelijkbaar hoofdstuk uit de Westerse kunstgeschiedenis. Precies dus de periode waarin Volendam een geliefd onderwerp binnen de beeldende kunsten was.
Tot besluit van deze inleiding adviseer ik u om bij verder lezen en overigens bij elke duiding van kunstwerken het advies van de Franse, symbolistische dichter Paul Valéry (1871-1945) voor ogen te houden: ‘Het is onmogelijk om serieus na te denken wanneer je woorden gebruikt als classicisme, romantiek, humanisme of realisme. Niemand kan zijn dorst lessen of dronken worden van het etiket.’ Hoe ontoereikend deze etiketten ook mogen zijn, als richtingaanwijzers blijven ze voor literatuurwetenschappers en kunsthistorici uiteindelijk onmisbaar. Omdat ik hierna zowel de diversiteit van de schilderstijlen binnen het Volendammer oeuvre wil benadrukken als haar plaats binnen de kunstgeschiedenis wil verduidelijken, gebruik ook ik onbekommerd deze labels waar nodig. Maar enige relativering kan nooit kwaad. Strikt genomen dien je een schilderij eerst zelf te ondergaan alvorens je wat voor toelichting ook ter hand neemt.
Dit essay bevat naast privé-herinneringen ook wat meer en minder persoonlijke overpeinzingen en meningen, soms zelfs overtuigingen, vaak associatief en los geformuleerd, soms wat strakker. Het was kunstcriticus Baudelaire (1821-1867) die opmerkte dat hij schilderijen soms slechts beoordeelde naar gelang de mate waarin zij in staat waren hem tot mijmeren aan te zetten. Als je het opschrijft, staat het ook meteen op papier, zou Gerard Reve (1923-2006) zeggen. De lijn in mijn betoog wordt gevormd door de levenscyclus die deze schilderijen verbeelden. Dat stelt mij in staat om af en toe wat zijpaden te bewandelen.
Indien u mij wilt volgen. _________________________________________________________________________________
Dit eerste deel is eerder gepubliceerd in Cultureel Magazine 2Rewind 2015

4 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

In het harnas voor overspel?

De tentoonstelling Romanovs in de ban van de ridders in museum Hermitage Amsterdam, laat zien hoe deze fascinatie met de Middeleeuwen eruitzag voor de Russische tsaren.
Lees verhaal

[ WINACTIE ]

Like, reageer en maak kans op enClave Cultureel Opinieblad, en Hemingways geroemde boek over Parijs getiteld "A Moveable Feast"!