Piet van der Hem, Kerkgang op de Dijk, ca. 1917, olieverf op doek, 58,8 x 74,4cm (Collectie Zuiderzeemuseum)

Omdat Volendam van haar omgeving verschilde en dicht bij Amsterdam lag, was zij gedurende dat bruisende belle époque – fin-de-siècle bezit een wat pessimistischere connotatie – in trek bij kunstschilders en tegelijkertijd bij de sterk in aantal toenemende toeristen. Kerkgang op de Dijk ontroert én intrigeert mij omdat Van der Hem hier de twee pijlers onder die afwijkende Volendammer cultuur verbeeldde; die in Nederland unieke combinatie van rooms-katholiek geloof en visserij. Herkende Onze-Lieve-Heer zijn eerste leerlingen niet in de beoefenaars van laatstgenoemde, edele broodwinning? Maar wat had Hij toch met deze in de omgang immers wat ruwe, vrijgevochten zeelieden? Net als op de meeste schilderijen blijft dat rooms-katholicisme hier overigens impliciet. De Kevelaerprocessie (1899) van Nico W. Jungmann (1872-1936), Augustin Hanicottes Wanneer het Angelus luidt (1900) en Van der Hems Het Angelus (1917-1918) vormen uitzonderingen op deze regel. Over het Angelus zullen we het zeker nog een keer moeten hebben. Hoe dan ook vormt dit anderszijn de belangrijkste oorzaak van Volendams aanhoudende (inter) nationale populariteit.  

Ook dat rotsvaste fundament onder de Volendam-sound, The Cats, had vanwege hun rooms-katholieke wortels in die door de negentiende eeuwse Romantiek geïnspireerde Sixties – mede via de door opera beïnvloede solozang van Piet Veerman – een troefkaart in handen. Welke invloed heeft dat anders-zijn op het zelfbewustzijn en welzijn van ons nageslacht en verschillen wij nog altijd wezenlijk van onze directe omgeving? Willen wij dat nog? Zijn wij werkelijk bereid daar nog moeite voor te doen?  

Hoe verhoudt Volendams ook landelijk gezien vrij rigide immigratiestandpunt zich tot de wens om de eigen identiteit te behouden? Vormen een sterke eigen identiteit en een hard im-migratiestandpunt twee zijden van dezelfde medaille? ‘L’identité, c’ést la guerre’, zou de Franse historicus van het communisme Roger Martelli zeggen. Of is dat harde immigratiestandpunt juist geworteld in de angst om een zwakke identiteit te verliezen? Zou het versterken daarvan geen vruchtbaarder idee vormen? Maar hoe verhoudt dit alles zich tot die gulzige economische uitbating van het merk Volendam? Want als Nederlanders de Chinezen van Europa zijn, zijn Volendammers toch zeker de Chinezen van Nederland? Een uitspraak van een Amerikaans staatsman, wiens naam mij helaas ontschoten is, dringt zich op: ‘Holland? That is not a country, it’s a shop’.  

Ik vind Van der Hem een van de interessantste Volendam-schilders omdat hij tegen het modernisme aanschurkt: de waarheid was bij hem belangrijker dan de schoonheid, en tussen realiteit en verbeelding liet hij bewust een zekere spanning bestaan. Zijn kleurenpalet (warm, donker en somber) en dat van Hunter (koel, licht en fris) verschillen bij de onderhavige schilderijen sterk. Elisabeth Oost (Vissersleven langs de Noordzee en Zuiderzee, p. 57 e.v.) noemde de expressionisten de hekkensluiters van het vissersgenre. Van der Hems Portret van een oude visser (Collectie Art Hotel Spaander) heeft wat expressionistische trekjes, en om dat begrijpen, lijkt wat relevante kunstgeschiedenis mij onontbeerlijk. 

Kunst komt zelden in een maatschappelijk vacuüm tot stand. Minimaal ligt er een impliciete maatschappijvisie aan ten grondslag. In mijn inleiding merkte ik al op dat de schilders van de Haagse School de moderniteit negeerden omdat zij daarin geen schoonheid zagen. Ze vonden de vooruitgang lelijk. In 1863 gaf Baudelaire het begrip moderniteit een kunsthistorische lading. Hij vond – anders dan de leden van de Haagse School – dat kunstenaars deze moderniteit in hun werk moesten proberen te vangen. Dit trachten de impressionisten ook te doen. Een andere destijds prangende kwestie was: Waartoe dient de kunst? Volgens de aanhangers van l’art pour l’art – letterlijk: kunst om de kunst, art for art’s sake – behoorde kunst autonoom te zijn en hoogstens de schoonheid te dienen; niet de kerk, niet de wereldlijke machthebbers en zeker niet de burgerij. Épater les bourgeois (letterlijk: de burger overbluffen) huldigden sommigen zelfs als credo. En zoals estheet Oscar Wilde (1854-1900) het verwoordde: ‘All art is quite useless.’ De Duits-Joodse cultuurfilosoof Walter Benjamin (1892 – 1940), die al een aantal keren de revue passeerde, constateerde in zijn essay Der Surrealismus (1929) dat onder het vaandel l’art pour l’art van meet af aan al een andere lading schuilging. Dat bleek tijdens die duizelingwekkende jaren voor de Eerste Wereldoorlog toen kunst bij maatschappelijke verandering zelfs het voortouw wilde nemen: de historische avant garde; oftewel het dadaïsme (anarchistisch) het futurisme (pro-techniek), en het surrealisme (deels en tijdelijk pro-communistisch). Binnen de schilderkunst had je dan ook nog het reeds genoemde expressionisme, het kubisme en het fauvisme (alle drie gematigd links).  

Het zal de oplettende lezer wel duidelijk zijn geworden dat ik, net als Baudelaire overigens, geen aanhanger ben van l’art pour l’art oftewel kunst om de kunst. Bij mijn weten heeft Van der Hem zich er nooit over uitgelaten (zie ook de opmerking van Bram van der Vlugt hierna), al blijkt uit zijn politieke tekeningen natuurlijk overduidelijk dat hij zeker een mening had over hetgeen er om hem heen gebeurde. Net zoals waardenvrije wetenschap een illusie is, kan kunst de ethiek niet buiten de deur houden. De twee zijn om zo te zeggen kissing cousins’, aldus de Nederlandse filosoof Onno Zijlstra. Van 1907 – toen hij met een koffer vol tekeningen en schetsen terugkeerde uit Montmartre – tot 1914 behoorde Van der Hem net als Leo Gestel en Jan Sluijters tot de artistieke avant-garde. Dat blijkt ook wel uit het feit dat voor zijn Moulin Rouge (olieverf, ca. 1909) in 2002 € 240.000 werd neergeteld. De twee jaar in Volendam vormen een keerpunt in zijn carrière. Daarna begaf hij zich in het voetspoor van vriend en collega Willy Sluiter in de Haagse beau monde. Er werd gefluisterd dat hij mede-Friezin en meesterspionne Mata Hari (1876-1917) niet alleen heeft geschilderd doch tevens heeft bemind.  

Toen Van der Hem in 1917 in Volendam ging werken, werd hij dus al niet meer beschouwd als een modernist. Omdat hij dit vooral vanwege zijn onderwerpkeuze – het mondaine Parijse nachtleven – was geweest. Opvallend is zijn uitspraak dat hij na al die buitenlandse reizen Volendam eigenlijk veel verrassender vond. Prof. dr. Klaas Steur tijdens zijn toespraak – waar hij pas na lang zeuren toe bereid was – d.d. 14 juli 1949 in Hotel Van Diepen (zie bijlage 2 bij Schipper op, Schipper af van Piet & Evert Koning): ‘De ware Volendammer kent de brede ademhaling, de trage beweging, ziet scherp en aandachtig, voelt hevig en gelooft diep’. Hoe zag Van der Hem Volendammers? De loop van de Volendammer mannen op dit schilderij deed schilderdocent Jan Stroek wat slaafs aan, al kon dit volgens hem ook aan die wijde Volendammer broek liggen, die immers uitnodigt om de handen erin te steken. Ik snap wat hij bedoelt, en het lijkt bij de aquarel/pastel versie van Kerkgang op het Dijk ook van de gezichten te kunnen worden afgelezen. Net zoals Willem Tholens Haven vanuit Hotel Van Diepen (zie schilderij 4) schilderde Van der Hem dit tafereel vanuit een raam bij Hotel Van Diepen. Zie ook die bekende foto die is genomen tijdens het 25-jarig jubileum van Pastoor Van der Weijden (de pastoor in de koets). Omdat zo’n menigte binnen tien minuten voorbij was, kon zo’n stoet alleen schetsmatig worden vastgelegd, hetgeen Van der Hem hier knap combineert met sterke details; de snelle, trefzekere schets was ook als schilder een van zijn sterkste eigenschappen. Let op die twee in helgroen en knalroze geklede meisjes waar vanwege de contrastwerking het bontje ontbreekt. Kijk ook naar die wat hoge, maar goed getroffen ruige mutsen. Rake verfstreken inderdaad. Een zekere karikaturale vertekening lijkt een overeenkomst met de politieke tekeningen die hij tussen 1914 en 1920 voor de communistische Nieuwe Amsterdammer maakte. Toch kan hieruit uiteraard niet worden geconcludeerd dat Van der Hem deze kerkgang vanuit een soort communistische bril als een relict uit voorbije tijden bezag, al is deze verleiding in dit geval wel heel groot. Een van vaderlands meest gerenommeerde acteurs, Bram van der Vlugt, die een drietal werken van Van der Hem bezit en wiens grootmoeder goed bevriend was met de schilder, zag laatstgenoemde ook eerder als een groot kunstenaar dan vanuit politiek oogpunt principieel. Van der Hem tekende bijvoorbeeld ook voor liberale bladen als de Haagsche Post en de Haagsche Courant. Volgens Frank van Dijl (Het Vrije Volk, 19 juli 1990) vervulde Van der Hem tussen beide wereldoorlogen in, voor verschillende kranten de rol van straatvechter. Waar de hoofdredacteur een stroom woorden nodig had en dan nog op zijn tellen moest passen, kon Van der Hem vanwege zijn tekentalent zijn vergif ook kwijt in één potloodstreek. Zoals ik hiervoor al aangaf doet zijn Portret van een oude visser modernistisch aan. Door overdrijving en al dan niet bewuste vertekening – te grote handen, te wijde broek en te klein bovenlijf – vangt Van der Hem hier iets essentieels. Volendammer zittend bij vuurplaats (Collectie Volendams Museum) is ook sterk. Met rood, blauw en groen is het kleurgebruik vrij primair.

Jan Stroek vindt Kerkgang op de Dijk qua compositie niet sterk. De blik van de kijker wordt uit elkaar getrokken, links de haven en rechts de Dijk, hetgeen het hart van het schilderij feitelijk leeg maakt. Cees van der Geer (1931-2007), de kunstredacteur van de Haagsche Courant, vindt de compositie juist bijzonder: ‘In één oogopslag moet Van der Hem het prachtige, compositorische gegeven gezien hebben: links de halve boog van de door het plankier omringde vissersvloot, rechts de boog van zwart en wit gemutste colonne kerkgangers, binnen de voorstelling vastgezet door de rij huisjes die, aan het eind van de dijk, een beetje geheimzinnig oplichten.’ (Haagsche Courant d.d. 3 april 1987). Van der Geer baseert zijn oordeel overigens op de hiervoor ook reeds genoemde aquarel/pastel-versie. Om beter in te kunnen zoomen op de gezichten van de Volendammers maakt Van der Hem daar gebruik van een iets meer naar rechts gelegen en lager gezichtspunt. Zoals gezegd wilde Van der Hem de twee meest dominante aspecten van de Volendammer cultuur in samenhang laten zien, terwijl die ene activiteit op het water plaatsvindt en die andere op de wal. In zijn door de gehanteerde gemengde techniek (aquarel/pastel) donkerdere en meer tonale Kerkgang op het Brijkje (Collectie Lieveland) – de stoet loopt inmiddels op de Meergracht – , lost hij dat compositorisch op door de scheepsmasten vanuit de verte te laten zien. Door de gebruikte techniek heeft ook dit werk een wat somber karakter. Door de fellere kleuren en het schetsmatige karakter vind ik Kerkgang op de Dijk in olieverf in een bepaald opzicht ook krachtiger.  

Dit schilderij roept bij mij vragen op. Wanneer er inderdaad sprake is van een gedwee aandoende gang is dat dan niet atypisch voor die spreekwoordelijk vrijheidslievende vissers? Of deed het volgende motto hier opgeld: ‘de vrouw op zaterdag thuis, de pastoor op zondag in de kerk, en ik doordeweeks op mijn botter’? Want uit eigen ervaringen moet ik helaas vaststellen dat Volendam nog altijd van een bevoogdende bestuurscultuur doortrokken (Volendams: vergeven) is, een deels rooms-katholieke erfenis – die dus nog versterkt zou kunnen zijn vanwege de vrijwel altijd afwezige mannen – die ook lijkt terug te komen in onze grote pvv-aanhang. Vormt de zich graag met de kleur wit associërende ongenaakbare leider een dwingend cultuurelement? Als ik voor een landelijk opinieblad als politiek tekenaar (een soort hedendaagse Van der Hem) naar het huidige Volendam werd gestuurd, zou ik mezelf op een gegeven moment toch moeten gaan afvragen in hoeverre de afwezigheid van een goed functionerende publieke opinie hier ook een rooms-katholiek erfenis is?  

Hoewel onze huidige paus, die vanwege de door hem gekozen naam direct mijn sympathie genoot, in zijn tweede encycliek Laudato Si’ op dit punt beterschap beloofde, onderhoudt het katholieke Rome van oudsher een moeizame verhouding met andersdenkenden. Maar indien wij een zelfstandige gemeenschap willen blijven waarvan de normen, waarden en gebruiken afwijken van die van de rest van Nederland, kunnen wij dan, als een en ander niet meer vanuit Rome wordt opgelegd, zonder een eigen goed functionerende publieke opinie? En vormt met open vizier strijden in een krant die naast haar commercieel belang ook het algemeen belang voor ogen houdt daarvoor geen – in goed Latijn – conditio sine qua non?  

Op dit schilderij lijken alle schapen nog gedwee in de kudde te lopen. Een situatie die zeker tot het verleden behoort, al lijkt nog niet iedereen dat te beseffen. Kan iemand mij vertellen waarin de houding van de Stichting Katholiek Onderwijs Volendam (skov) verschilt van de vroegere pastoor Van der Weijden, die volgens zijn eigen kapelaan Kees Brouwer hier zowel paus als keizer was? Gaat verantwoording afleggen door de skov niet van harte omdat zij dat nooit heeft geleerd? Kunnen wij ons in deze onzekere tijden de luxe van een dergelijk traag lerende, ondemocratische onderwijsinstelling nog wel veroorloven? Vormt die circa twintig miljoen in aangehouden liquiditeiten (!) een soort anti-oorlogskas? Zijn onderwijs en politiek binnen Volendam wel gescheiden? Tegen welke prijs zit onderwijs in de portefeuille van de cda-wethouder? En wie garandeert ons dat die jeugdig uitziende gemeenteraadsleden achter de schermen niet worden aangestuurd door gepokt en gemazelde partij-apparatsjik? Want van wie komt toch dat geloof van de lokale cda-fractievoorzitter dat het met de opwarming van de aarde niet zo’n vaart zal lopen? Legt het lokale cda ook de essentie – de zorg voor ons gemeenschappelijke huis – van voornoemde pauselijke encycliek Laudato Si’ naast zich neer?  

Maar goed, mijn dilemma is dat ik, ondanks dat ik mezelf geen trouwe kerkganger meer kan noemen, het toch waardevol vind dat mijn kinderen het Weesgegroet Maria leren. Als ik iets anders voor ze wil, moet ik ze naar Edam brengen en ze vervolgens zelf leren bidden. Ik ben bang dat seksuele voorlichting mij gemakkelijker af zal gaan. En als ik ze naar Edam breng ben ik bovendien toch ietwat bevreesd dat mijn vader zaliger, overigens bepaald geen geloofsfanaticus, ’s nachts even bij mij komt buurten, en dan niet om even gezellig bij te praten. En bij dat voortgezet onderwijs zien we dan wel weer verder. 

Ik begon mijn inleiding met Walter Benjamins definitie van een zedelijke gemeenschap. Op dit schilderij werd er een afgebeeld. Zijn wij nog een zedelijke gemeenschap? Waar komen onze huidige en vooral onze toekomstige normen en waarden dan vandaan? Zoals de pvv een afsplitsing is van de vvd, is bijvoorbeeld Volendam ’80 een afsplitsing van het cda. De pvv is soms rechtser dan de vvd (immigratie, anti-islam) en soms linkser (sociaal-economisch; de sociaal-democratie is volgens de pvv wél geworteld in het christendom en volgens de vvd niet). De West-Europese ontkerkelijking betekende in Volendam politiek een ruk naar rechts. Wat gebeurt er met de Volendammer cultuur als die zucht naar materiële welvaart niet meer in toom wordt gehouden door iets als een religieus, spiritueel of filosofisch geweten? Kunnen die grootse vieringen van de eerste heilige Communie en het Vormsel nog verhullen dat ook Volendammers christenen op vier wielen zijn geworden? Zou Onze-Lieve-Heer zich nog herkennen in ons lokale asielzoekersbeleid? Want heeft de gemeente Edam-Volendam de ‘asielzoekersbeker’ niet op even beschamende als sluwe wijze aan zich voorbij laten gaan? Van het bewuste uitstel kwam het beoogde afstel. Als de kerk een franchiseformule was, met de Here der heerscharen als bestuursvoorzitter, zouden wij als franchisenemer dan nog het vignet christelijk mogen voeren? Ook St. Vincentius à Paulo, die opkwam voor de armen en hulpbehoevenden, zal het afgelopen jaar tijdens het samenzijn hierboven niet immer hebben geglimd van trots. Zou Hij ons nog wat respijt geven omdat zijn eerste getrouwen ook vissers waren?  

Nogmaals, waar komen onze huidige en toekomstige normen en waarden vandaan? Van ‘de markt’? Van Geert Wilders? Volgens mij heeft Geert Wilders vooral een negatieve invloed op onze goodwill. Schuilt er achter het gebruik van in dit verband niets verhullende termen als ‘economische vluchteling’ en ‘gelukzoeker’ dan geen pijnlijk gebrek aan inzicht in de oorzaak van onze eigen welvaart? Maar wij Westerlingen doen als de boot echt aan is toch aan liefdadigheid? En trouwens, heeft Afrika voor ons weleens een concert georganiseerd? Dat bedoel ik. Als Europa echter geen banen naar Afrika exporteert, zal Afrika Afrikanen naar Europa exporteren, merkte de Singaporese oud-diplomaat Kishore Mahbubani in 1993 (!) al op in The National Interest, het gezaghebbende Amerikaanse blad over buitenlandse politiek. Mahbubani heeft gelijk gekregen.  

De in mijn inleiding reeds aangehaalde cultuurfilosoof Thijs Lijster: ‘In onze Westerse wereld rukt een vreselijke armoede op: een politieke armoede, waarin het ontbreekt aan visie en idealen, en een culturele armoede, waarin het ontbreekt aan ontzag voor kwaliteit en kritische geesten’. In sneltreinvaart met wijd open ogen en vol enthousiasme gaan we het tegemoet. Is dit proces nog omkeerbaar? ‘Het belangrijkste politieke ambt is dat van burger’ merkte de Amerikaanse opperrechter Louis Brandeis (1856-1941) ooit op. In Volendam is het schriftelijk voor de eigen mening uitkomen nog een pril verschijnsel. Een onder een schuilnaam opererende reaguurder gedraagt zich niet als een volwassen burger. Volendam kent hoegenaamd geen publieke opinie. Alles wat de eigen carrière en portemonnee in de weg zit, lijkt te moeten wijken, en meningsverschillen zijn niet goed voor de handel. Een van mijn journalistieke helden, Émile Zola – die op 13 januari 1898 in verband met de beruchte Dreyfus-affaire zijn maatschappelijke carrière op het spel zette door zijn J’accuse …! als open brief op de voorpagina van dagblad L’Aurore te presenteren – trok zich daar niets van aan. Maar maatschappelijk engagement past niet goed in dat ook door sommige dorpsgenoten omarmde, uit de vs overgevlogen, egoïstische, nog wel even dooretterende neo-liberalisme. Die Verenigde Staten waren het Wilde Westen en blijven dat ook. Een échte Amazoner huilt achter zijn bureau. En is die vooral impotente Europese Unie niettegenstaande haar historische verdiensten inmiddels niet verworden tot een slinkse poging om dit destructieve gedachtengoed c.q. ontwrichtende maatschappijmodel als een soort paard van Troje binnen te halen? Bij vrijhandel neemt de totale welvaart inderdaad toe maar als een nationale overheid niet toeziet op een eerlijke verdeling zijn er ook altijd verliezers. Maar in vrijwel alles zijn wij een lauwe meerderheid geworden, terwijl een gepassioneerde minderheid soms doorslaggevend blijkt. Houdt u dan niet ook uw hart vast wanneer straks die Markerwaard-plannen weer uit de een of andere lade worden opgediept? Omdat wij geen vissers meer hebben, moet je niet vreemd opkijken als je binnen honderd jaar via een sluis naar Hoorn zeilt. Nog een geluk dat die Chinezen goed kenne kezen (C.B. Vaandrager). Want als die in colonne en draf over de hier afgebeelde dijk gaan, zien ze toch niet dat je net als Truman Burbank in de Truman Show (1998) eenmaal aan de overkant van de Gouwzee tegen een groot blauw doek aanzeilt.  

“Man kann seiner eigenen Zeit nicht böse sein, ohne selbst Schaden zu nehmen.” Der Mann Ohne Eigenschaften (1940) van Robert Musil. 

______________________________________________________________________________________________

Dit deel is eerder gepubliceerd in Cultureel Magazine 2Rewind 2016

0 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Oktober kunstmaand: Interview met Sandra Ale

Oktober is kunstmaand in de gemeente Edam-Volendam. Speciaal voor deze gelegenheid interviewt de jongerenredactie van enClave iedere week een kunstenaar die actief is in de gemeente. Deze week interviewt Madelief Mühren de kunstenares Sandra Ale.