Buladó was de openingsfilm van de veertigste editie van het Nederlandse Filmfestival (2020). De Nederlands-Curaçaose regisseur Eché Jangai (geb. 1978) won na zijn eerste speelfilm Helium (2014) met deze tweede avondvullende film nu ook de Gouden Kalf voor beste lange speelfilm. Met Buladó lijkt hij aansluiting te zoeken bij het Zuid-Amerikaanse magisch-realisme, een stroming binnen de literatuur en de schilderkunst. Een in meerdere opzichten zeer geslaagde keuze.


Allereerst is er een bepalende rol weggelegd voor Bandabou, het ruigere, onherbergzame (prachtige) gedeelte van Curaçao dat met zijn leguanen, cactussen en grote roofvogels (wara wara’s) lijkt op die grensstreek tussen Texas en Mexico, met als bezielend element die altijd waaiende, gierende en fluitende Noordoostpassaat. Een eenrichtingswind. Tot slaaf gemaakten die ontsnapten, overleefden in Bandabou niet lang: de oorsprong van de sage waar opa Wejo (gespeeld door Felix de Rooy), die zijn einde voelt naderen en dat als een krijger met geheven hoofd wil aanvaarden, op vertrouwt. Tot slaaf gemaakten die niet van het zout uit de zoutmijnen hadden gegeten en van de rotsen sprongen, keerden terug naar Afrika. Of zoals Kenza het later in een mantra verwerkt: ‘Een vliegende vis kan niet verdrinken’.


Jangai en Esther Duysker (die samen het scenario schreven) schilderen de onderlinge relaties tussen opa, zoon en kleindochter met grof penseel. Het meeste blijft onuitgesproken. En dat voegt spanning toe. Jangai kan dan ook vertrouwen op drie sterke acteurs. Tiara Richards speelt even zwijgzaam als veelzeggend de hoofdrol van de elfjarige tomboy Kenza, die al wel lasser en automonteur is, maar nog vrouw moet worden. Omdat haar moeder is overleden, heeft zij binnen deze mannenhuishouding geen vrouwfiguur waar zij zich aan op kan trekken. In de poëtische openingsscène vertelt Kenza (zelf niet in beeld) dat voornoemde wind tegen haar spreekt, haar gezicht streelt en haar troost. Wanneer de schooldirectrice haar vader Quira (overtuigend gestalte gegeven door Everon Jackson Hooi) vraagt of Kenza, die probleemgedrag (vechten en spijbelen) vertoont, misschien een moeder mist, besluit haar vader zijn antwoord met ‘iets wat je nooit hebt gekend, kun je niet missen’. Kenza staat op de gang en hoort dit. Dit bepaalt de dramatische spanning tussen vader en dochter die tot een uitbarsting komt in een sleutelscène in het autowrak (ze wonen naast een autosloperij) waarin Kenza hem toesnauwt waarom hij niet terug gaat naar Nederland.  Buladó bevat schitterende shots vanuit verrassende camerastandpunten. Die jurk van Kenza´s moeder die in de nachtelijke passaatwind in de waslijn hangt te drogen bijvoorbeeld. De spanning tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke die kenmerkend is voor het magisch realisme vinden we vooral terug in de verhouding tussen opa Wejo, die contact zoekt met zijn overleden voorvaderen en zijn zoon Quira, Kenza’s als politieman werkzame vader. Wat heeft voor de verwijdering tussen vader en zoon gezorgd? Zijn politieopleiding in Nederland? Het feit dat hij de autosloperij wil verkopen? Slechts even zijn er witte mannen in karakteristieke rollen in beeld: de projectontwikkelaar en de pastoor. Toch wordt opa Wejo het door hem gewenste een einde gegund. Kenza steelt met dat doel zelfs een Caquetio-hoofdtooi uit het museum waarvan haar opa ‒ die zich de toegang eerder wederrechtelijk toe-eigende met als argument dat hij niet ging betalen om zijn eigen cultuur te mogen zien ‒ haar eerder de betekenis had uitgelegd. Kenza verwoordt het aan het einde als volgt: ‘De dood is er altijd, dus wie daarmee leert leven is vrij.

0 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

Classics Review: Citizen Kane (1941)

Het meesterwerk presenteert zichzelf als een geïsoleerde tour de force, een Goddelijk geschenk tussen de aardse creaties van haar tijdgenoten. In die zin is Citizen Kane voor de cinematografie wat de Mona Lisa is voor de schilderkunst.