Haven vanuit Hotel Van Diepen, Willem Tholen, ca. 1930, olieverf op doek, 48,5 x 73cm (Collectie Zuiderzeemuseum)

In de Kapelaan Ruiterstaat 13 zat ik in mijn tienerjaren bij mijn opa en oma – marktmeester Jan Molenaar (1914-1992) en schippersdochter Pietje Bond (1918-2001) – vaak tegenover een replica van dit schilderij. De ingetogen, grijze ondertonen zijn typisch Haagse School. Willem Bastiaan Tholen (1860-1931) wordt ook wel als een prominent lid van haar derde generatie gezien. Hij schilderde dit op zijn zeventigste, één jaar voor zijn overlijden. In catalogi van zijn werk ontbreekt het vrijwel nooit. Er bestaat ook een potloodtekening van deze compositie, waarin het zicht op de haven iets dieper is, zodat het postkantoor rechts bijna in zijn geheel van beneden tot boven te zien is. In casu stond zijn schildersezel in een kamer direct boven wat in mijn diensttijd bij Van Diepen de bovenzaal was. Zo deed hij dat, en plein air, wel vaker. Zelf keek ik van daaruit stiekem ook weleens naar de reuring in de haven als er beneden in het restaurant niets te doen was. Maar waar Tholen nog een vissershaven zag, restte mij slechts een plezierhaven.

Eerste Haagse School-generatie lid Jacob Maris (de vader van Willem Maris Jacobszoon) adviseerde zijn leerling Willem de Zwart (1862-1931) – die net als Tholen ook tot de latere Amsterdamse impressionisten werd gerekend – om te oefenen door slechts met vier kleuren (afgezien van zwart en wit) te schilderen: indigo (blauw), terra di Sienna (donkerder dan gele oker maar niet rood), rode oker (roodbruin) en guttegom (geel). Hoe groots deze beperking kon uitpakken had Jacob Maris al bewezen met zijn reeds genoemde De Bomschuit (1878). Dit werk werd ook wel een symfonie in grijs genoemd. Deze omschrijving brengt mij direct terug bij Haven vanuit Hotel Van Diepen, al is het oranje en bruin daar dominanter.

Ook Tholen gebruikte hier niet veel kleuren. Jan Stroek zag (afgezien van zwart en wit) rode oker, guttegom, ultramarijn blauw of indigo en Veronees groen. Het lijkt wel of hij onderin links van het midden in grove penseelstreken met die kleuren signeert. Tholen toont zich hier meer een harmonist dan wel een tonalist. Hij contrasteert kleuren niet vooral – al springt dat oranje er wel uit – zoals colorist Hanicotte wel doet in zijn Begrafenis van een visser (zie schilderij 9). Tholen laat ze elkaar eerder naderen. Dit om vooral de eenvormige, harmonieuze stemming die dit haventafereel bij hem oproept door te kunnen geven. Bij zijn De Golf van Ma achter de scheepswerf van Pieter Spaander (particuliere collectie) drijft hij zijn fabuleuze ton sur ton – letterlijk: kleur op kleur – behandeling van het bruin tot het uiterste door. Voor de schilders van de Haagse School was de realiteit op Marken en Volendam eigenlijk ook veel te bont.

Het sprookje van het verdwenen postkantoortje
Los van het tafereel zelf, dat geen enkele Volendammer onberoerd zal laten, al was het maar vanwege het moderne sprookje Het verdwenen postkantoortje, is het ook hier de tonaliteit, de subtiele kleurschakering, die het zo overtuigend maakt. Met een losse penseelstreek heeft Tholen ook elk van de hier afgebeelde botters feilloos getroffen. Ook hij was net als Sijs een verwoed zeiler. Kunstcriticus Alb. Plasschaert over Tholens schepen en water: ‘(…) Hij weet hoe een roer aanvoelt, hoe een fok “over” gaat, hoe een visscherman zeilt, hoe een zeiljacht prangt, laveert: hij weet en gevoelt hoe een havendam aandoet, wanneer je van buiten komt, en hoe de golven, bruinig en blauw, van de Zuiderzee slaan (…)’.

Waarschijnlijk ook omdat het impressionisme de laatste vijftien jaar van de negentiende eeuw al over haar hoogtepunt heen was, leek het licht zelf in Volendam minder vaak het onderwerp. De Volendamse haven kijkt uit op het Oosten en vanaf Den Haag / Scheveningen (opening haven 1904) kijk je op het Westen. Boven de Gouwzee komt de zon dus vroeg in de morgen op, maar zij verdwijnt, zeker in de wintermaanden, relatief snel achter de horizon. Denk aan het wintertafereel van Sijs waar ik het in de vorige aflevering over had. En schilders, toch vaak een wat bohemienachtig slag volk, waren doorgaans geen vroege vogels. Tholen kon dat wel zijn. Zijn verstilde Haven in de morgen (1931, Collectie Zuiderzeemuseum) vormt dan ook een uitzondering op deze regel.

James Abbott McNeil Whistler
En dan was het prachtig geweest als de in Amerika geboren en vanuit Engeland opererende James Abbott McNeil Whistler (1834-1903), die Volendam, waarschijnlijk in 1889 bezocht, iets als zijn Nocturne in Blue and Silver, Cremorne Lights (1872, Tate Modern, Londen) van onze haven in een mistige avondschemering had gemaakt.

Lucide droom
Nog niet zo lang geleden beleefde ik een vreemde, lucide – ik besefte dus dat ik droomde – droom die zich in het Volendam van mijn kindertijd afspeelde. Ik liep voorbij het NACO-busstation waarachter, in de tot de Haringstraat doorlopende oude Bokkingstraat de rokerijen gevestigd waren. Volendams centrum rook als er vangst was altijd naar gerookte vis. Zolang ik deze droomtoestand vast kon houden, realiseerde ik mij, kon ik er frank en vrij en onzichtbaar rondlopen. Een wandeling waar ik direct elke verre reis voor inruil! In mijn droom via de Zeestraat eenmaal op de Dijk aangekomen, werd ik tot mijn grote spijt toch wakker. Mijn naamgenoot, de Franse schrijver Marcel Proust (1871-1922), die Volendam in 1902 ook bezocht, concludeert aan het einde van zijn monumentale romancyclus Op Zoek Naar de Verloren Tijd dat ware paradijzen de paradijzen zijn die je verloren hebt. De essentie van wat francofielen liefkozend en met gepaste trots La Recherche noemen, is dat alleen een plotselinge onvrijwillige herinnering je daar écht terug kan brengen. Door veelvuldig gebruik verslijten vrijwillige herinneringen namelijk, bovendien zijn ze sowieso minder betrouwbaar. Proust was tijdens dezelfde reis voor Johannes Vermeers Gezicht op Delft (1659-1662) naar het Haagse Mauritshuis geweest en was zo onder de indruk dat hij het een plaats gaf in het tot Sodom en Gomorra gedoopte vierde deel van voornoemde cyclus. Daar sterft het personage Bergotte voor dit in Parijs tentoongestelde werk met als laatste woorden: ‘Zo zou ik hebben moeten schrijven’.

Hoewel Haven vanuit Hotel Van Diepen uit 1930 stamt, stap ik er zo in. Een volle haven met gestreken zeilen en drogende kuilnetten betekent zaterdagmiddag. Met een gevulde beurs vanavond schoongewassen – dus niet zoals die twee vrijgezelle gebroeders Hansen van voornoemde VD133 – achter moeder de vrouw, lekker uitslapen, en morgenmiddag nog een ‘wakker tokkie’ voor het uitvaren toe! Als moeders daar prijs op stelde desnoods voor het zingen de kerk uit. Een vaardigheid die men zich eigen diende te maken. Mijn moeders ome Kees, de broer van mijn oma, Pietje Duim, tijdens een verjaardagskoppie over zijn eerste huwelijksnacht: ‘het was al gebeurd toen Neeltje haar linkerkous uittrok’. Mijn oma durfde dan niet te lachen en mijn opa lag dubbel. Maar goed, als ik na een paar jonkies met suiker vanavond achter Hilletje kon? Dan kon ik al die ‘Hoger, Harder, Verder-praatjes’ van die alfamannetjes daar voor Café de Groene en Café Mastenbroek (nu Café Centraal) in het schilderij of voor het café van Jaap de Bok (nu Café De Dijk) op die foto met gemak hebben.

Maar wat geeft die zo gebroederlijk naast elkaar aangemeerde botters toch een machtige en eendrachtige aanblik in die daardoor levende vissershaven! Als ik me concentreer, hoor ik, net voordat ze allemaal achter elkaar de haven binnenlopen, het Volendammer operakoor Vangelis’ Conquest of Paradise zingen. Dat paradijs, zijnde Volendam zelf, dat ze immers eerst weer op hun eigen vrouwen moesten heroveren. Daarom namen ze eenmaal aan wal ‘eerst samen met de mannen even een jonkie’. Dutch courage noemden de Engelsen onze jenever. Dat weer uitvaren op zondagavond klokslag twaalf uur schijnt ook een waar spektakel geweest te zijn. Jan Stroek vertelde dat zijn bap, Jan Rus, schipper van de VD41 desnoods alle touwen lossneed om zo snel mogelijk de haven uit te komen, aldus zijn zus Aal Stroek, die met haar vader, Ouwe Russie, aan de Edammerweg woonde. Alsof ze de fuik weer uit wilden voor het net zich zou sluiten.

Open Markerwaard Goud Waard
De Volendammer economie bestond destijds uit veel kleine ondernemers. Tegenwoordig lijkt de economische macht in ons dorp schever verdeeld. Of dit nadelig is, hangt mede af van de vraag waar die macht ligt, en vooral hoe daarmee omgegaan wordt. Of zij zich bijvoorbeeld kan bedwingen om te infiltreren in andere gedeelten van de publieke sfeer zoals bijvoorbeeld politiek, pers en verenigingsleven. Want hoewel de economische wetenschap ooit doortrokken was van ethiek, lijken vooral veel zogenoemde ‘selfmade’ ondernemers daar weinig kaas van gegeten te hebben. Wat dat aangaat lijken we niet veel te zijn opgeschoten.

Het haventafereel doet me ook denken aan de manifestatie Open Markerwaard Goud Waard die ik in 1983 als klein ventje doorbracht op de VD172 van mijn ome Evert zaliger (1950-1992). Mensen lijken vergeten te zijn dat we ternauwernood aan dat inpolderingsgevaar zijn ontsnapt. En dan begint die landschapsarchitect, die Adriaan Geuze, er 16 augustus 2015 in VPRO-zomergasten ook weer even over; terwijl het tot dan toe een genoeglijke televisieavond beloofde te worden. Ik werd er in ieder geval knap sjacherijnig van. Gaan we weer inpolderen omdat we dat nu eenmaal zo goed kunnen? Het fragment dat Geuze liet zien, herinnerde aan J.H. Mastenbroeks Sluiting der Zuiderzee, 28 mei 1932, (1932, Collectie Zuiderzeemuseum). Op 28 mei 1932, om twee minuten over één heette de Zuiderzee IJsselmeer. Nee, dan zie ik liever Mastenbroeks Vertrek van de vissersboten uit de haven van Volendam (1922, Collectie Zuiderzeemuseum).

Zoals ik reeds aangaf zal Haven vanuit Van Diepen geen enkele Volendammer onberoerd laten. ‘Kunst is dat, wat een emotie geeft en gemaakt is met de bedoeling een emotie te geven’, aldus de Haagse kunstpaus en Kröller Müller-adviseur Henk Bremmer (1871-1956). Bremmer had een idealistische, (laat)-romantische, vroegmoderne kunstopvatting, en hij had dientengevolge niet veel op met het impressionisme: ‘Zoo komt het dat men hier (bij de als positief realist bekendstaande Floris Verster, MT) iets spiritueels in vindt, dat bij geen der impressionisten te vinden is.’ Zie Hildelies Balks aan hem gewijde proefschrift, De Kunstpaus H.P. Bremmer 1871-1956, p.?). Bremmer had smaak, een smaak die overigens niet eens zoveel afwijkt van die van mij, maar hij was ook een koppige zeurpiet, die hier mijns inziens wel heel kort door de bocht ging, en inzake de authenticiteit van Van Goghs schilderijen ook weleens fout zat, maar dat laatste kan natuurlijk iedereen overkomen.

Voornoemde Floris Verster (1861-1927) schreef zich net als Willem Tholen in schooljaar 1877-78 in bij de Haagse kunstacademie, de hiervoor reeds genoemde Willem de Zwart deed dat in 1876-77. Ze worden alle drie (soms deels) tot het Amsterdamse impressionisme gerekend. De vraag is natuurlijk ook over welk schilderij van Floris Verster Bremmer het hier had. Hetgeen mij emotioneel aanspreekt in Haven vanuit Hotel Van Diepen, is, behalve mijn jeugdherinneringen eraan, het eendrachtige, het boven het individu uitstijgende, het gezamenlijke, het bij opkomende storm weer veilig thuis zijn, de lotsverbondenheid.

Bremmer vond de al genoemde Franse neo-impressionist, meer in het bijzonder pointillist Paul Signac (1863-1935) overigens wel goed. Dat de twee grootste namen die Volendam bezochten én daar werk maakten, voornoemde Signac en de Belgische Théo van Rysselberghe (1862-1926) (Haveningang van Volendam, Collectie Thyssen-Bornemisza Museum, Madrid) beiden bekendheid verwierven met het pointillisme zal worden veroorzaakt doordat deze stroming haar hoogtepunt beleefde in de negentiger jaren van de negentiende eeuw toen Hotel Spaander op stoom begon te komen. Rysselberghe bezocht Spaander in 1893 en 1895. Signacs aquarel van de Volendammer haven siert de nieuwe menukaart van restaurant Spaander.

Van Delacroix tot het Neo-impressionisme
Signac beweerde in zijn boek Van Delacroix tot het Neo-impressionisme (1899) trouwens dat door alle toepasselijke passages uit het dagboek van de romantische kunstschilder Delacroix samen te voegen een wetboek voor het impressionisme viel samen te stellen: “Groene en violette tinten ruwweg hier en daar aangebracht in de lichte partijen zonder ze te mengen … Groen en violet, die kleuren moet men noodzakelijk na elkaar opbrengen en niet op het palet al mengen”. Omdat Signac de gewoonte had om zijn aquarellen later op olieverf uit te werken, bestaat er een theoretische kans dat er een Volendamse evenknie rondzwerft van zijn letterlijk oogverblindende De haven van Marseille (1907, Collectie State Hermitage museum, St. Petersburg) of van De Haven van St. Tropez (1895, Collectie Van Gogh Museum, Amsterdam). Een kleine kans, want Hollandse grijze luchten waren niet zijn forte.

Het hoogste aantal bezoekende schilders noteerde Spaander met drieënvijftig handtekeningen in het gastenboek van 1906. In 1899 waren het er vijfendertig. In de vijftig jaar van 1881 tot 1932 werd Spaander misschien wel bezocht door twaalfhonderdvijftig schilders. Het zou wel aardig zijn om eens een ‘educated guess’ te maken van de hoeveelheid schilderijen die er over Volendam zijn gemaakt. Misschien dat een paar econometristen uit ons dorp daar eens een berekening op los kunnen laten. Dan weten we in ieder geval wat ons te doen staat.

___________________________________________________________________________

Dit deel is eerder gepubliceerd in Cultureel Magazine 2Rewind 2015

1 Shares:
You May Also Like
Lees verhaal

In het harnas voor overspel?

De tentoonstelling Romanovs in de ban van de ridders in museum Hermitage Amsterdam, laat zien hoe deze fascinatie met de Middeleeuwen eruitzag voor de Russische tsaren.