Het boek “All Quiet on the Western Front” (1928) werd geschreven door Erich Maria Remarque, een Duitse oorlogsveteraan van de Eerste Wereldoorlog. In 1930 verscheen de eerste verfilming geregisseerd door Lewis Milestone, in 1979 werd het boek nog eens verfilmd, dit keer door Delbert Mann. In 2022 bleek het de hoogste tijd voor een nieuwe verfilming, met regie door Edward Berger. Bijzonder voor de vertelling van Remarque is het perspectief vanaf de Duitse kant. Het werd — en wordt — nog wel eens vergeten dat diegenen die als vijand worden bestempeld net zo goed lijden en met trauma’s achterblijven als de overwinnaars.

Hoofdpersoon is Paul Bäumer die, naarmate de oorlog vordert en zijn vrienden om zich heen vermoord ziet worden, zijn nationalisme en oorspronkelijke oorlogsenthousiasme verliest. De Duitsers startten de oorlog in 1914 met de hoop dat ze binnen 4 weken in Parijs zouden zijn. De realiteit was echter dat de frontlinie van noch de Duitse noch de Franse legers nauwelijks verschoof, en dat niet in 4 weken, maar in 4 jaar tijd. De Eerste Wereldoorlog was de eerste oorlog op Europees grondgebied die werd gevochten met nieuwe, technologische middelen, zoals mosterdgas, automatische machinegeweren, tanks en vlammenwerpers. Gevolg hiervan was dat het greintje eer dat volgens overlevering te behalen viel in eerdere oorlogen nu definitief was verdwenen: een enkele mortier beëindigde het leven van een onlangs gerekruteerde soldaat, zonder dat die ooit de vijand met zijn eigen ogen had gezien. 

De film opent met een gruwelijke realiteit: de werking van de Duitse oorlogsmachine. Zojuist gedode soldaten worden ontdaan van hun kleren, welke vervolgens worden verzameld en gewassen om te worden gebruikt door de nieuwe lichting tienersoldaten. De onmenselijkheid van de oorlog, en tegelijkertijd de pragmatiek die ten grondslag ligt aan dezelfde oorlogsredenering (vaak uitgevoerd door schone, goedgeklede, goed etende mannen in ivoren torens, kilometers van het front) is de kern van de film. Bäumer ondervindt deze desillusie aan den lijve. 

Kat, de mentor van Bäumer, zegt op de vooravond van de wapenstilstand (10 november 1918) het volgende als hij voor de zoveelste keer het bevel krijgt naar het front te trekken: “Wohin? Wohin? In die Schlacht”. Dit laatste woord wordt in de Engelse ondertiteling vertaald als “battle”, maar in het Nederlands heeft het de sterkere connotatie van een “slacht”. Inderdaad, de film benadrukt constant de nutteloosheid van deze oorlog: de roekeloze bevelen die honderdduizenden jongeren hun dood insturen, en de trots en het nationalisme die zegevieren boven het welzijn van de jeugd van de natie. 

Er is een bijzonder intense scène die dit sentiment goed benadrukt, waarin Bäumer in de hectiek van het niemandsland tussen de Franse en Duitse loopgraven een Franse soldaat in paniek neersteekt, om vervolgens tot zinnen te komen en te realiseren wat hij heeft gedaan. Als de “vijand” dichtbij komt, en je deze in de ogen kunt kijken, dan wordt het nemen van een leven, van iemand die precies is zoals jijzelf, een onmenselijke en onnatuurlijke daad van zelfverraad. Het is tevens het sentiment dat Rutger Bregman benadrukt in “De Meeste Mensen Deugen” (2019): het ligt absoluut niet in onze natuur om onze medemens pijn te doen, laat staan te doden. Bregman heeft het over “de oermenselijke afkeer van geweld”.

Ondanks deze lofwaardige retoriek, is de wrange werkelijkheid dat Bregmans vraag (en impliciet ook de vraag van Berger, de regisseur van All Quiet on the Western Front) al sinds mensenheugenis wordt gesteld: “Waarom voeren mensen toch oorlog?” Toch vinden we onszelf in 2022 nog steeds in tijden van onverdraagzaamheid en van oorlog, kijk naar Rusland en Oekraïne. Het is moeilijk de machinatie van oorlog bloot te leggen; het oorlogssentiment onder bepaalde generaties, de propaganda, de schaamte of juist de trots. Bergers All Quiet on the Western Front deelt dit onbegrip met Bregmans boek, waarin ligt de focus sterk ligt op de menselijkheid en het gevoel van “stop nou toch gewoon met vechten”. De kracht van Bregmans boek is het ondermijnen van onderzoeken en wetenschappelijke experimenten die door de geschiedenis heen hebben geprobeerd aan te tonen dat de mens intrinsiek slecht is. Maar Berger teert te lang voort op hetzelfde sentiment. Allereerst heeft hij halverwege de film zijn punt allang gemaakt. We zien de nutteloosheid, de achteloosheid, de onnatuurlijkheid van het constante moorden van onze medemens, maar waar de film op een gegeven moment naartoe werkt is lastig te zeggen. Bäumer lijkt alle hoop te verliezen naarmate zijn kameraden één voor één sterven, en waar je aan het begin van de film ontdekt dat je voor hem aan het juichen bent, worden zijn keuzes steeds onbegrijpelijker, waardoor je aan het einde van de 2,5 uur durende film blij bent met welke uitkomst dan ook. 

Een tweede frustratie is de vorm waarin de hoofdpersoon is gegoten. De laatste jaren hebben we ontzettend veel films gezien van ongespierde, ongetrainde, gewetensbezwaarde jongens die de oorlog (Eerste of Tweede) ingaan om eruit te komen met een besef dat het hels is. Denk aan Hacksaw Ridge (2016), Dunkirk (2017), 1917 (2019), en zelfs Captain America (2011), maar ook andere films hebben soortgelijke karakters, zoals Saving Private Ryan (1998) en Fury (2014). De opzet wordt langzamerhand doorzichtig: tegen hun wil in, en met de waarschijnlijkheid dat ze het nog geen 24 uur gaan volhouden aan het front (wat overigens in bijna alle bovenstaande films door een geharde korporaal met een snor in zoveel woorden tegen ze wordt gezegd) worden deze magere nieuwelingen toch geharde veteranen, die alle grotere en sterkere soldaten overleven. In deze films is er trouwens ook altijd een generaal met een grotere snor die niet of nauwelijks luistert naar rede, en zich niets aantrekt van wat wie dan ook tegen hem zegt. Het resultaat is vaker meer cartoonesk dan dat het realistisch is. Zo ook in All Quiet on the Western Front, waarin naast de schriele maar dappere Bäumer, ook generaal Friedrich de grenzen van de geloofwaardigheid behoorlijk oprekt, met zijn vileine puntsnor en slechterikenpraat. Wat zeggen deze karakters over onze 21-eeuwse opvatting van oorlog en haar soldaten? Is de werkelijkheid wel zo simpel: van de onwaarschijnlijke soldaat die het moet afleggen tegen de gewetenloze oorlogsmachine? Één uitleg zou kunnen zijn dat persiflages misschien wel handvaten bieden om met terugwerkende kracht goed en kwaad beter te kunnen onderscheiden. Bovendien werkt dit ook geruststellend voor de kijker: het biedt houvast in de morele chaos tussen de twee fronten. Maar toch, is het niet juist de ironie van oorlog dat we er pas niks van snappen als we er middenin zitten? Door ingewikkelde conflicten als tweedimensionaal te presenteren, en in een David versus Goliath-vorm te gieten, blijft de oorlog voor de buitenwereld van mythische kwaliteit. Het effect van de 2022-versie van “All Quiet on the Western Front” is dus juist het tegenovergestelde van wat het probeert over te brengen: de demythologisering van oorlog.

Cinematografisch gezien is de film overigens fantastisch. Naast de levensechte scenes gefilmd vanuit indrukwekkend nagebouwde loopgraven zien we mooie shots tussendoor van een onachtzame natuur: kolkende beekjes, dennenbomen in de ochtendmist. Berger lijkt te willen benadrukken dat er zich een raar soort rust en schoonheid bevindt naast de kolkende waanzin van de oorlog. Ook verbluffend is alle kleding in de film, welke met ontzettend veel oog voor kleur en detail zijn nagemaakt, en jaloersmakend goed staat bij de jonge mannen. Je kunt je makkelijk voorstellen hoe trots de Duitse tieners in eerste instantie waren om thuis te melden dat zij soldaat waren geworden. De aandacht die is besteedt aan deze elementen trekt je zonder meer het universum in van de Eerste Wereldoorlog: All Quiet on the Western Front biedt op zijn minst een geweldige blik op het tijdsbeeld.

Bergers All Quiet on the Western Front is al met al een indrukwekkend verhaal, dat verteld moet blijven worden, en moet blijven worden gezien. In welke vorm dan ook. Maar het is geen, om maar een voorbeeld te noemen, Apocalypse Now (1979), waarin de realiteit en de waanzin van oorlog tastbaar worden. Waarbij je je later afvraagt of je het nou wel echt allemaal goed hebt gezien en in je hebt opgenomen. Daar is Bergers versie van All Quiet on the Western Front simpelweg iets te tweedimensionaal voor.

0 Shares:
You May Also Like